ECLI:NL:RBLIM:2021:4401

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
21 mei 2021
Publicatiedatum
31 mei 2021
Zaaknummer
9174780 CV EXPL 21-2109
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:213 BWArt. 254 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontruimingsvordering wegens onvoldoende spoedeisend belang bij overlast

Woningstichting Meerssen vorderde in kort geding de ontruiming van een woning die zij verhuurt aan de gedaagde, wegens vermeende overlast. De kantonrechter beoordeelde of er een spoedeisend belang bestond om een onmiddellijke voorziening te treffen, waarbij de waarschijnlijke uitkomst van een bodemprocedure als uitgangspunt werd genomen.

De vordering tot ontruiming kon slechts worden toegewezen als met grote mate van waarschijnlijkheid verwacht kon worden dat een bodemprocedure op grond van artikel 7:213 BW Pro succesvol zou zijn, en als het spoedeisend belang van Wonen Meerssen zwaarder woog dan dat van de gedaagde. De aangevoerde overlast betrof grotendeels incidenten uit 2018 en 2019, terwijl recente klachten van omwonenden ontbraken.

De kantonrechter concludeerde dat onvoldoende aannemelijk was gemaakt dat er een actueel en zwaarwegend spoedeisend belang bestond. Daarom werd de vordering tot ontruiming afgewezen. De uitspraak werd op 21 mei 2021 in het openbaar uitgesproken door mr. R.H.J. Otto.

Uitkomst: De vordering tot ontruiming van de woning wegens overlast wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: 9174780 CV EXPL 21-2109
Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 21 mei 2021
in de zaak van
de naar Nederlands recht rechtspersoonlijkheid bezittende stichting
WONINGSTICHTING MEERSSEN,
gevestigd en kantoorhoudend te Meerssen,
eisende partij,
gemachtigde mr. C.F.J. Leenarts
tegen
[gedaagde],
wonend te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.
Partijen worden nader aangeduid als Wonen Meerssen en [gedaagde] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met producties 1 t/m 16
  • de mondelinge behandeling op 17 mei 2021 te 9.00 uur,
  • het tijdens de behandeling tegen [gedaagde] verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Wonen Meerssen verhuurt aan [gedaagde] , gelijk [gedaagde] van Wonen Meerssen huurt, de woonruimte, plaatselijk bekend [adres] te [woonplaats] .
2.2.
Wonen Meerssen vordert -samengevat – de ontruiming van het gehuurde – met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.
2.3.
Bij de beoordeling van een vordering tot het treffen van een onmiddellijke voorziening moet de voorzieningenrechter zich – bij wijze van uitgangspunt – richten naar de waarschijnlijke uitkomst van een eventuele bodemprocedure. Dat betekent dat de gevorderde veroordeling tot ontruiming van de door [gedaagde] gehuurde woning en de daarmee samenhangende vorderingen alleen kunnen worden toegewezen als met grote mate van waarschijnlijkheid valt te verwachten dat een op art. 7:213 BW Pro gebaseerde vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Bovendien moet Wonen Meerssen een spoedeisend belang hebben bij het treffen van de gevorderde voorziening. Dat belang moet zwaarder wegen dan het belang van [gedaagde] bij afwijzing van de vordering. Uit art. 254 Rv Pro volgt immers dat de voorzieningenrechter (lees: de kantonrechter) alleen in spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd is om deze te geven.
2.4.
Alle omstandigheden en belangen van dit geval in aanmerking genomen is de kantonrechter van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat Wonen Meerssen op dit moment een zodanig spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorziening die strekt tot ontruiming van het gehuurde dat dit belang zwaarder dient te wegen dan de belangen van [gedaagde] . Wonen Meersen heeft als grond voor de door haar gevorderde ontruiming aangevoerd dat sprake is van zodanige overlast dat dit een ontbinding van de huurovereenkomst zou rechtvaardigen. Ter staving van deze stelling verwijst Wonen Meerssen naar de door haar overgelegde producties. Een groot deel van deze producties heeft echter betrekking op overlast in 2018 en 2019. De overige producties (uit 2021) zijn antwoorden op een brief van de gemachtigde van Wonen Meerssen. Recente en uit eigener beweging geuite klachten van omwonenden zijn op dit moment niet voorhanden/kenbaar gemaakt.
2.5.
Het vorenstaande leidt ertoe dat het gevorderde wegens gebrek aan voldoende spoedeisend belang zal worden afgewezen.

3.De beslissing

De kantonrechter als voorzieningenrechter
3.1.
wijst het gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2021. [1]

Voetnoten

1.type: JvdH