ECLI:NL:RBLIM:2021:4337
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag Tozo-uitkering wegens niet in Nederland wonen
Eiser, woonachtig in Duitsland en ondernemer in Nederland, vroeg een uitkering levensonderhoud op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) aan. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser niet in Nederland woont en verwees naar inkomensondersteuning in Duitsland. De rechtbank beoordeelde of de Tozo-uitkering binnen de werkingssfeer van Verordening (EG) 883/2004 valt, mede aan de hand van het arrest van het HvJ EU van 12 maart 2020 (C-769/18).
De rechtbank concludeerde dat de Tozo-uitkering geen socialezekerheidsuitkering is in de zin van artikel 3 van Pro de Verordening, omdat zij niet voldoet aan de cumulatieve voorwaarden van objectieve toekenning zonder discretionaire beoordeling en verband met de in artikel 3 genoemde Pro socialezekerheidsgebieden. Ook is de Tozo-uitkering niet opgenomen in bijlage X van de Verordening en dus geen bijzondere niet op premie berustende prestatie. Hierdoor valt de Tozo-uitkering niet binnen de materiële werkingssfeer van de coördinatieverordening en kan deze niet geëxporteerd worden.
Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding wegens niet uitbetaalde uitkering afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de Tozo-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat eiser niet in Nederland woont en de uitkering niet onder de werkingssfeer van Verordening 883/2004 valt.