Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2021:395

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
18 januari 2021
Publicatiedatum
18 januari 2021
Zaaknummer
03/659017-17
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak deelname criminele organisatie en medeplegen invoer en handel harddrugs

De rechtbank Limburg behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van overtredingen van de Opiumwet, medeplegen van invoer en handel in harddrugs. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 8 december 2020, waarbij verdachte niet aanwezig was maar wel werd vertegenwoordigd door zijn raadsvrouw.

De officier van justitie en de verdediging bepleitten beiden vrijspraak wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Uit het dossier bleek dat verdachte slechts zijdelings betrokken was en vanaf november 2016 uit beeld was. Er waren geen concrete aanwijzingen dat verdachte een wezenlijke bijdrage had geleverd aan de criminele activiteiten.

De rechtbank oordeelde dat het dossier onvoldoende bewijs bevatte om de tenlastegelegde feiten te bewijzen. Hoewel verdachte in verband kon worden gebracht met medeverdachten, konden geen concrete handelingen worden vastgesteld die verband hielden met de invoer en handel in cocaïne en heroïne. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer: 03/659017-17
Tegenspraak (gemachtigde raadsvrouw)
Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 januari 2021
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 1989,
wonende te [adres] ,
Verdachte wordt bijgestaan door mr A.G.A. Aben, advocaat kantoorhoudende te Eindhoven.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 december 2020. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsvrouw. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Op 18 januari 2021 heeft de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting gesloten.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1:heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, die als oogmerk had het plegen van overtredingen van artikel 2 jo Pro 10 van de Opiumwet;
feit 2:samen met anderen harddrugs heeft ingevoerd;
feit 3:samen met anderen harddrugs heeft verhandeld dan wel dat hij hieraan medeplichtig is geweest.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie heeft – zoals opgenomen in het overgelegde schriftelijke requisitoir – gerekwireerd tot vrijspraak van alle ten laste gelegde feiten wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor verdachtes betrokkenheid. Uit het dossier kan worden afgeleid dat verdachte in de onderzoeksperiode maar zijdelings een rol heeft gespeeld en door zijn verdwijning in november 2016 al uit beeld was.
De raadsvrouw heeft – zoals opgenomen in haar overgelegde pleitnota – eveneens bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het dossier op geen enkele wijze bewijs levert voor verdachtes betrokkenheid bij die feiten. Er zijn in het onderzoek veel opsporingsmethoden ingezet, maar verdachte is slechts twee dagen op de getapte telefoonlijnen te horen geweest, waarbij niet kan worden vastgesteld dat werd gesproken over drugsgerelateerde zaken. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat verdachte enige bijdrage heeft geleverd aan de ten laste gelegde feiten, laat staan dat hij een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd of heeft deelgenomen aan de criminele organisatie.
3.2
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat het dossier geen wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte betrokken is geweest bij de ten laste gelegde feiten, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
De rechtbank overweegt dat hoewel verdachte op basis van het dossier in verband kan worden gebracht met de medeverdachten, hij in de onderzoeksperiode volledig uit beeld is verdwenen. Voorts kunnen uit het dossier – behoudens het rijden in de zwarte Suzuki Swift tussen de adressen van de medeverdachte [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] – geen concrete handelingen van verdachte worden afgeleid die mogelijk verband houden met de invoer van en handel in cocaïne en heroïne. Daarmee kan ook niet worden bewezen dat verdachte deel heeft uitgemaakt van een criminele organisatie die het plegen van genoemde feiten als oogmerk had.

4.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.A.G. van Baal, voorzitter, mr. L. Feuth en
mr. R. Verkijk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 18 januari 2021.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
1.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 7 november 2016 in de gemeente Weert, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of één of meer andere (onbekend gebleven) perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van één of meer misdrij(f)(ven) als bedoeld in artikel 2 jo Pro. artikel 10 van Pro de Opiumwet;
2.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 7 november 2016 in de gemeente Weert, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
3.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 7 november 2016 in de gemeente Weert, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht ofzou kunnen leiden, dat:
[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 4] in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 7 november 2016 in de gemeente Weert, althans in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging althans ieder voor zich en alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft/hebben verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, toen en daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door met een auto met daarin geld en/of verdovende middelen heen en weer te rijden tussen de adressen van voornoemde [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] om voornoemd geld en/of voornoemde verdovende middelen af te leveren;