Uitspraak
RECHTBANK limburg
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 april 2021
op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen
Procesverloop
Overwegingen
Tot op heden is het voor het college nog steeds niet duidelijk wie de bouwwerken daadwerkelijk heeft gebouwd. Alle partijen (de [naam 1] , [naam eigenaresse] en de [naam 2] ) wijzen naar elkaar”. Dit volgt ook uit het aan het eerdere besluit op bezwaar ten grondslag gelegde advies van de commissie voor de bezwaarschriften van 30 juli 2019 (“
noch op basis van de stukken noch op basis van het verhandelde ter zitting kan worden vastgesteld of bezwaarmaker destijds de bouwwerken B t/m D heeft opgericht”). Het onderzoeksrapport van 6 oktober 2020 gaat niet over de vraag wie de bouwwerken heeft opgericht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder niet heeft aangetoond of aannemelijk heeft gemaakt dat eiser degene is die de bouwwerken heeft opgericht, zodat niet duidelijk is of eiser gerechtigd is deze als aangebrachte toevoeging weer weg te nemen. Als eigenaresse of [naam 2] de bouwwerken heeft opgericht dan ontleent eiser aan zijn recht van vruchtgebruik immers niet of in ieder geval niet zonder meer het recht deze af te breken en kan niet zonder meer worden aangenomen dat eiser beëindiging van de overtreding (zelfstandig) in zijn macht heeft.