Uitspraak
6.Artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet luidt:
a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
De rechtbank en ook de Afdeling hebben de beleidsregels niet als onredelijk beoordeeld; gelet op de bijzondere positie die de gemeente Venlo inneemt bij het uitvoering geven aan de Opiumwet - welke positie uiteen is gezet in het gemeentelijke drugsbeleid — kan verweerder in redelijkheid het beleid voeren dat de aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs wordt aangemerkt als een dringend geval en bij een eerste overtreding derhalve een sluitingsmaatregel nemen. (Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:950.) Ter zitting is in dit verband door verweerder aangegeven dat in het besluit op bezwaar de duur van de sluiting zal worden ingekort. De voorzieningenrechter is dan ook voorshands van oordeel dat de besluitvorming niet onevenredig is, ook omdat ter zitting is aangegeven dat op korte termijn een besluit op bezwaar zal volgen.
20.Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2021.