Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
in de periode van 20 maart 2020 tot en met 17 april 2020 te Thorn tezamen en in vereniging met een of meer anderen ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld dat aan Abdijkerk Thorn toebehoorde, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte of zijn mededader(s) die [slachtoffer 2] telefonisch de woorden heeft toegevoegd dat als het geld er vrijdag niet zou zijn alles in de smeltoven zou gaan en dat die [slachtoffer 2] moesten zorgen dat het geld er donderdag zou zijn anders zou hij, verdachte, alles plattrappen en dat er geen politie bij betrokken mocht worden, anders wisten ze die [slachtoffer 2] te vinden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
in de periode van 16 april 2020 tot en met 17 april 2020 te Sittard een goed, te weten een scooter (merk [merk] ) heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
8.De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling
9.De wettelijke voorschriften
10.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt de volgende
- geeft aan de reclassering opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
- voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- verklaartde benadeelde partij Abdijkerk Thorn ten aanzien van feit 1 en feit 2
niet-ontvankelijkin de vordering; - veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot tot heden op nihil;
- wijstde vordering van het openbaar ministerie
gedeeltelijk toe; - gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog gedeeltelijk, te weten
hij op of omstreeks 10 maart 2020 te Thorn, in elk geval in de gemeente Maasgouw, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een zilveren monstrans en/of twee, althans een of meer, zilveren kannetjes en/of een altaarkruis en/of een ciborie en/of drie, althans een of meer kelk(en), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan Abdijkerk Thorn, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof(fen);
hij in of omstreeks de periode van 20 maart 2020 tot en met 17 april 2020 te Thorn, in elk geval in de gemeente Maasgouw tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] of aan een derde, te weten aan Abdijkerk Thorn toebehoorde, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)
die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] telefonisch de woorden heeft/hebben toegevoegd dat als het geld er vrijdag niet zou zijn alles in de smeltoven zou gaan en/of dat zij, die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , moesten zorgen dat het geld er donderdag zou zijn anders zou hij, verdachte, alles plattrappen en/of dat er geen politie bij betrokken mocht worden, anders wisten ze die [slachtoffer 2] te vinden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
hij in of omstreeks de periode van 16 april 2020 tot en met 17 april 2020 te Sittard, in elk geval in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten een scooter (merk [merk] ) heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;