Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
- het proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer 2] d.d. 31 januari 2020, p. 146;
- de verklaring van de verdachte ter terechtzitting d.d. 24 februari 2021 afgelegd.
1.primair
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
volledig ontoerekeningsvatbaarte beschouwen.
6.De maatregel
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
8.De vordering tot tenuitvoerlegging
9.Het beslag
10.De wettelijke voorschriften
11.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, van een bedrag van 350,00 euro, bestaande uit immateriële schade.
- de schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.
- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] voornoemd bedrag te betalen, bij niet-betaling te vervangen door 7 dagen gijzeling, met dien verstande dat de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 januari 2020;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;