ECLI:NL:RBLIM:2020:9088

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
18 november 2020
Publicatiedatum
20 november 2020
Zaaknummer
8705565 \ CV EXPL 20-3926
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:44 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens huurachterstand

In deze zaak vordert Stichting Woonpunt ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde wegens huurachterstand. Gedaagde erkent de achterstand, maar betwist de buitengerechtelijke incassokosten en procedurekosten, stellende geen aanmaning te hebben ontvangen en een betalingsregeling te hebben getroffen.

De kantonrechter oordeelt dat de aanmaningsbrief rechtsgeldig is verzonden en dat gedaagde onvoldoende heeft gesteld om ontvangst te betwisten. De buitengerechtelijke kosten worden daarom toegewezen. Het voorstel tot betalingsregeling van gedaagde is pas na dagvaarding gedaan, waardoor de proceskosten voor haar rekening komen. Een reeds ontvangen betaling wordt in mindering gebracht op de vordering.

De huurachterstand rechtvaardigt ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, incassokosten, wettelijke rente en een vergoeding gelijk aan de huurprijs voor elke maand na 1 augustus 2020 tot ontruiming. Tevens worden de proceskosten aan de zijde van eiser toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en gedaagde veroordeeld tot ontruiming en betaling van huurachterstand, incassokosten, rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 8705565 \ CV EXPL 20-3926
Vonnis van de kantonrechter van 18 november 2020
in de zaak van:
STICHTING WOONPUNT,
gevestigd te Maastricht,
eisende partij,
gemachtigde Agin Otten Gerechtsdeurwaarders,
tegen:
[gedaagde],
wonend [adres] ,
[woonplaats] ,
gedaagde partij,
gemachtigde mr. M.E.J. Duijsens, advocaat.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het antwoord van gedaagde partij
- het proces-verbaal van de op 12 november 2020 gehouden mondelinge behandeling.
De kantonrechter constateert dat gedaagde in de titel van haar conclusie van antwoord tevens aangeeft dat er een ‘voorwaardelijke eis in reconventie’ wordt genomen. De vervolgens onder het kopje ‘conclusie van voorwaardelijke eis in reconventie’ opgenomen ‘vorderingen’ (te weten afwijzing van de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst wegens een inmiddels getroffen regeling en verrekening van de na dagvaarding door gedaagde betaalde bedragen) dienen echter te worden beschouwd als verweren die reeds bij conventie dienen te worden aangevoerd. De kantonrechter zal uit efficiëntie en kostenoverwegingen voor gedaagde deze ook als zodanig beschouwen en de procedure afwikkelen zonder procedure in reconventie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Gedaagde erkent dat er een huurachterstand is ontstaan, zoals in de dagvaarding gespecificeerd. Zij protesteert echter tegen de buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van de procedure, nu zij nimmer een brief of aanmaning van eiseres zou hebben ontvangen en zij bovendien een regeling heeft getroffen met eiseres vóór het uitbrengen van de dagvaarding.
2.2.
Nu de als productie 4 bij dagvaarding overgelegde aanmaningsbrief van eiseres d.d. 7 juli 2020 aan het woonadres van gedaagde is gericht en gedaagde verder geen omstandigheden heeft aangevoerd die een reguliere postbezorging zouden kunnen verhinderen, acht de kantonrechter het niet aannemelijk dat meerdere brieven van eiseres gedaagde niet zouden hebben bereikt, zodat de kantonrechter hier aan voorbijgaat. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen dan ook worden toegewezen.
2.3.
Uit productie 1 bij conclusie van antwoord volgt dat eerst op 14 augustus 2020 door (de gemachtigde van) gedaagde een voorstel tot regeling is gedaan. Dit is gebeurd ná dagvaarden op 29 juli 2020, zodat de kosten van deze procedure voor rekening van gedaagde komen.
2.4.
Eiseres erkent tijdens de mondelinge behandeling dat van gedaagde conform de tussen partijen getroffen betalingsregeling een bedrag van € 1.380,00 is ontvangen. Dit bedrag zal conform het bepaalde in art. 6:44 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) in mindering worden gebracht op de kosten en hoofdvordering.
2.5.
Nu de ontstane huurachterstand de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt, zal dit worden toegewezen.
2.6.
Gedaagde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:
  • dagvaarding € 102,96
  • griffierecht € 499,00
  • salaris gemachtigde €
totaal € 961,96

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
ontbindt de bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde, staande en gelegen te [woonplaats] aan de [adres] ,
3.2.
veroordeelt gedaagde partij, om binnen twee weken na betekening van dit vonnis het gehuurde met personen en zaken te ontruimen en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van eisende partij te stellen,
3.3.
veroordeelt gedaagde partij voorts om aan eisende partij tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de somma van € 2.338,26 (waarvan een bedrag van € 1.979,06 aan huurachterstand tot en met juli 2020 en een bedrag van € 359,20 inclusief BTW aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 29 juli 2020 tot de dag van volledige betaling,
3.4.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een vergoeding gelijk aan de huurprijs van € 628,86 voor elke ingegane maand met ingang van 1 augustus 2020 tot en met de maand waarin gedaagde partij het gehuurde heeft ontruimd,
3.5.
veroordeelt gedaagde partij voorts in de kosten van de procedure aan de zijde van eisende partij gevallen en aan die zijde tot op heden begroot op een bedrag van € 961,96,
3.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.7.
verstaat dat door gedaagde na het uitbrengen van de dagvaarding aan eiseres betaalde bedragen in mindering worden gebracht op de kosten en vordering conform het bepaalde in art. 6:44 BW Pro,
3.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken.