Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De maatregel
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte voor hetgeen bewezen is niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging ter zake daarvan;
ter beschikking wordt gestelden stelt daarbij de volgende
voorwaarden, waar de verdachte zich gedurende de duur van de maatregel aan dient te houden:
dadelijk uitvoerbaaris;
Benadeelde partij(en) en schadevergoedingsmaatregelen
- wijst de vorderingvan de benadeelde partij [slachtoffer 2]
toe; - veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde van een bedrag van € 5.000,- ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt tot op heden begroot op nihil;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde, [slachtoffer 2] , ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet-betaling te vervangen door 1 dag gijzeling, met dien verstande dat de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat, in zoverre de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat, daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;
- verklaartde benadeelde partij [slachtoffer 3]
niet-ontvankelijkin de vordering; - veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte in het kader van deze procedure gemaakt tot op heden begroot op nihil;
- wijst de vorderingvan de benadeelde partij [slachtoffer 4]
gedeeltelijk toe; - veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde van een bedrag van € 30,- ter zake van materiële schade en € 10.000,- ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
- verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt tot op heden begroot op € 720,-;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde, [slachtoffer 4] , ter zake van materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet-betaling te vervangen door 1 dag gijzeling, met dien verstande dat de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat, in zoverre de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat, daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen;
- wijst de vorderingvan de benadeelde partij [slachtoffer 6]
gedeeltelijk toe; - veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde van een bedrag van € 4.595,46 ter zake van materiële schade en € 5.000,- ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
- verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;
- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt tot op heden begroot op € 600,-;
- legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde, [slachtoffer 6] , ter zake van materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet-betaling te vervangen door 1 dag gijzeling, met dien verstande dat de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat, in zoverre de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat, daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat in zoverre komt te vervallen.