ECLI:NL:RBLIM:2020:857
Rechtbank Limburg
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Toewijzing uitsluitend gebruiksrecht woning na beëindiging samenwoning
Partijen waren gezamenlijk huurder van een woning en hadden een affectieve relatie die is beëindigd. Na het vertrek van eiseres uit de woning bleef gedaagde achter met hun gezamenlijke dochter en drie andere kinderen uit eerdere relaties. Eiseres wilde terugkeren in de woning en beriep zich op het belang van hun dochter en een verleende vergunning voor gastouderopvang.
Gedaagde stelde dat zijn belang zwaarder woog vanwege de aanwezigheid van zijn kinderen, zijn onderneming die vanuit de woning wordt gevoerd, en het feit dat eiseres de woning al geruime tijd had verlaten. De kantonrechter beoordeelde dat het belang van gedaagde zwaarder woog, mede omdat het belang van de gezamenlijke dochter niet specifiek gebonden was aan de woning en de vergunning voor gastouderopvang onzeker was.
De vordering van eiseres werd afgewezen en de tegenvordering van gedaagde toegewezen, waarbij werd bepaald dat hij het uitsluitend gebruiksrecht van de woning krijgt zolang de bodemprocedure loopt. Eiseres moet de sleutels overdragen en mag de woning niet betreden. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het uitsluitend gebruiksrecht van de woning wordt toegewezen aan gedaagde, eiseres moet de woning verlaten en de sleutels overdragen.