De rechtbank Limburg behandelde op 15 oktober 2020 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het witwassen van €105.560,81 contant geld aangetroffen in zijn auto bij de Nederlandse-Duitse grens.
De officier van justitie stelde dat het geld een criminele herkomst had, omdat de verklaring van verdachte over de herkomst ongeloofwaardig en onbetrouwbaar was. De verdediging voerde aan dat niet met voldoende zekerheid kon worden uitgesloten dat het geld legaal was verkregen en dat verdachte niet wist of behoorde te vermoeden dat het geld crimineel was.
De rechtbank oordeelde dat verdachte een concrete en verifieerbare verklaring had gegeven dat het geld afkomstig was van familieleden van een bedrijfseigenaar, bedoeld voor de aankoop van een vrachtwagen. Het door het openbaar ministerie verrichte aanvullende onderzoek, waaronder een rechtshulpverzoek aan Albanië, leverde onvoldoende bewijs op om de legale herkomst uit te sluiten.
Daarom kon niet worden bewezen dat het geld uit enig misdrijf afkomstig was en werd verdachte vrijgesproken. De rechtbank gelastte tevens de teruggave van het in beslag genomen geld, de auto, simkaart en telefoon aan verdachte.