ECLI:NL:RBLIM:2020:8343
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Termijnstelling voor keuze erfgenaam inzake nalatenschap met ouderlijke boedelverdeling
De zaak betreft een verzoek van een erfgenaam om een andere erfgenaam een termijn te stellen voor het maken van een keuze omtrent de aanvaarding of verwerping van een nalatenschap. De nalatenschap valt onder een ouderlijke boedelverdeling die is vastgesteld onder het oude erfrecht, welke ondanks de invoering van het nieuwe erfrecht in 2003 haar geldigheid behoudt.
De verzoeker en een zus hebben de nalatenschap zuiver aanvaard, terwijl een andere zus nog geen keuze heeft gemaakt. Hierdoor kan de notaris geen verklaring van erfrecht opmaken en kan de nalatenschap niet worden afgewikkeld. De kantonrechter oordeelt dat de termijnstelling op grond van artikel 4:192 lid 2 BW Pro gegrond is.
De kantonrechter bepaalt dat de erfgenaam binnen een maand na betekening van de beschikking haar keuze kenbaar moet maken. Tevens worden de proceskosten ten laste van de nalatenschap gebracht. De beschikking wordt ingeschreven in het boedelregister om de rechtszekerheid te waarborgen.
Uitkomst: Erfgenaam krijgt een termijn van één maand om haar keuze omtrent de nalatenschap kenbaar te maken, met proceskosten ten laste van de nalatenschap.