ECLI:NL:RBLIM:2020:8217

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
21 oktober 2020
Publicatiedatum
26 oktober 2020
Zaaknummer
C/03/283304 / HA ZA 20-501
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46b Wet op de rechterlijke organisatieArt. 93b RvArt. 99 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing zaak wegens schijn van partijdigheid naar Rechtbank Oost-Brabant

In deze civiele procedure tussen eiser en gedaagde heeft de Rechtbank Limburg vastgesteld dat zij zowel absoluut als relatief bevoegd is om kennis te nemen van de zaak. De zaak is correct aanhangig gemaakt en de woonplaats van gedaagde valt binnen het rechtsgebied van de Rechtbank Limburg.

Echter is gebleken dat de partner van gedaagde werkzaam is bij de Rechtbank Limburg, wat aanleiding geeft tot een schijn van partijdigheid. Om de onpartijdigheid en het vertrouwen in de rechtspraak te waarborgen, heeft de rechtbank besloten de zaak te verwijzen naar een andere rechtbank.

Op grond van artikel 46b van de Wet op de rechterlijke organisatie wordt de zaak doorverwezen naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch. Partijen zullen vanuit die rechtbank op de hoogte worden gesteld van de verdere procedure.

De beslissing werd genomen door rechter J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2020.

Uitkomst: De zaak wordt verwezen naar de Rechtbank Oost-Brabant wegens schijn van partijdigheid.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/283304 / HA ZA 20-501
Vonnis van 21 oktober 2020
in de zaak van
[eiser],
wonend te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. A.F.G. Bergmans-Jeurissen,
tegen
[gedaagde],
wonend te [woonplaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. M. Woisch.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met producties 1 t/m 9
  • het B2-formulier waarbij mr. Woisch zich op de rol van 7 oktober 2020 voor gedaagde als advocaat heeft gesteld.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Alvorens inhoudelijk op het gevorderde in te gaan, dient vast te staan of de Rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht bevoegd is om van het gevorderde kennis te nemen.
2.2.
De rechtbank is absoluut bevoegd in een zaak als de onderhavige (art. 93 b Rv). De zaak is bij de juiste rechter aanhangig gemaakt.
2.3.
Gelet op de woonplaats van gedaagde (art. 99 Rv Pro) is de Rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht ook relatief bevoegd om van het gevorderde kennis te nemen.
2.4.
Onderhavige zaak zal echter niet door de Rechtbank Limburg in behandeling worden genomen. Reden daarvoor is gelegen in het feit dat de partner van gedaagde werkzaam is bij de Rechtbank Limburg.
2.5.
Om iedere schijn van partijdigheid uit te sluiten, heeft de rechtbank besloten om de zaak op grond van het bepaalde in artikel 46b Wet op de rechterlijke organisatie te verwijzen naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van de Rechtbank Oost-Brabant, Burgerlijk Recht, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch.
2.6.
Vanuit de zittingsplaats ’s-Hertogenbosch zullen partijen vervolgens in kennis worden gesteld over de voortgang van de procedure.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van de Rechtbank Oost-Brabant, Burgerlijk Recht, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch,
3.2.
bepaalt dat de zaak aldaar op de rol zal komen van
woensdag 4 november 2020voor beraad zaaksrechter.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken. [1]

Voetnoten

1.type: AH