ECLI:NL:RBLIM:2020:7816

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
14 oktober 2020
Publicatiedatum
12 oktober 2020
Zaaknummer
04 8257557 \ CV EXPL 20-53
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 159 lid 2 RvArt. 5 lid 1 overeenkomstArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering geldlening wegens niet-betaling en betwisting ondertekening

Hasuro Holding B.V. vordert betaling van de resterende schuld uit een geldlening van €11.500,00, waarvan €10.543,20 nog openstaat. Gedaagde betwist de echtheid van haar handtekening onder de schriftelijke overeenkomst en stelt dat de lening mondeling met de bestuurder van Hasuro is gesloten.

De kantonrechter stelt vast dat ondanks de betwisting van de ondertekening, de feiten en omstandigheden zoals betaling van termijnen met verwijzing naar de lening, de schriftelijke waarschuwing en ingebrekestelling, en de bereidheid tot afbetaling door gedaagde onvoldoende zijn gemotiveerd betwist. Het verweer dat de overeenkomst mondeling met de bestuurder is gesloten wordt eveneens verworpen.

De kantonrechter oordeelt dat de geldlening opeisbaar is conform de overeenkomst en wijst de vordering tot betaling van de hoofdsom met contractuele rente toe. De vordering tot wettelijke rente wordt afgewezen omdat contractuele rente is overeengekomen. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €10.543,20 met contractuele rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 8257557 \ CV EXPL 20-53
Vonnis van de kantonrechter van 14 oktober 2020
in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HASURO HOLDING B.V.,
gevestigd te Laarbeek,
woonplaats kiezende ten kantore van Ketting Strafadvocatuur te Amsterdam,
eisende partij,
gemachtigde mr. M. Ketting,
tegen:
[gedaagde partij] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
gemachtigde mr. M. Strijks.
Partijen worden hierna Hasuro en [gedaagde partij] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in het incident van 24 juni 2020;
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde partij] heeft een bedrag van € 11.500,00 geleend en ontvangen op haar bankrekening.
2.2.
Er is een achterstand ontstaan in betaling van de maandelijkse aflossing en op een gegeven moment heeft [gedaagde partij] geen betalingen meer verricht.
2.3.
In totaal zijn er 8 termijnen afgelost door [gedaagde partij] . De restschuld bedraagt € 10.543,20.
2.4.
Op 30 oktober 2019 heeft Hasuro een schriftelijke waarschuwing en ingebrekestelling verstuurd aan [gedaagde partij] . [gedaagde partij] heeft niet gereageerd binnen de gestelde termijn van 7 dagen.
2.5.
Op 11 november 2019 heeft [gedaagde partij] laten weten dat zij bereid is om de geldlening af te betalen.
2.6.
Tot op heden heeft [gedaagde partij] de geldlening niet afbetaald.

3.Het geschil

3.1.
Hasuro vordert – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van een bedrag van € 10.543,20 met contractuele rente;
veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente over het bedrag van € 10.543,20;
de proceskosten, nasalaris en kosten van betekening.
3.2.
Hasuro legt – samengevat – aan haar vordering ten grondslag dat tussen haar en [gedaagde partij] sprake is van een overeenkomst van geldlening (hierna: overeenkomst) en dat de geldlening opeisbaar is op grond van artikel 5 lid 1 van Pro die overeenkomst. Daarin is het volgende bepaald:
“(…) De lening is van de zijde van de geldgever te allen tijde opeisbaar na schriftelijke waarschuwing en daaropvolgende ingebrekestelling.”
3.3.
[gedaagde partij] voert verweer. Zij betwist het bestaan van de genoemde overeenkomst en stelt dat de handtekening en/of paraaf onder de overeenkomst niet van haar is. Daarnaast stelt zij dat sprake is van een mondelinge overeenkomst van geldlening en dat zij die overeenkomst niet heeft gesloten met Hasuro, maar met de heer [naam bestuurder] (hierna: [naam bestuurder] ). [naam bestuurder] is bestuurder en aandeelhouder van Hasuro.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde partij] stellig ontkent dat de overeenkomst door haar ondertekend en/of geparafeerd is. Uitgangspunt is dan dat de overeenkomst geen bewijs oplevert van de tussen partijen gemaakte afspraken zolang niet bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is. Dit volgt uit artikel 159 lid 2 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering.
4.2.
Hasuro voert echter enkele feiten en omstandigheden aan waaruit zou blijken dat partijen de overeenkomst schriftelijk zijn overeengekomen en – zo begrijpt de kantonrechter – dat [gedaagde partij] wél de overeenkomst heeft ondertekend en/of geparafeerd. Het gaat dan – samengevat - om de volgende feiten en omstandigheden:
  • op 20 december 2018 heeft [naam bestuurder] de conceptovereenkomst van geldlening opgesteld en laten lezen aan [gedaagde partij] ;
  • [gedaagde partij] heeft mondeling met de inhoud van de overeenkomst ingestemd;
  • vooruitlopend op de definitieve ondertekening heeft [naam bestuurder] op 20 december 2018 vanuit de bankrekening van Hasuro een bedrag aan [gedaagde partij] overgemaakt;
  • de overeenkomst is op 28 januari 2019 ondertekend en op die dag heeft [gedaagde partij] voor het eerst een bedrag van € 119,20 aan aflossing en rente betaald met de omschrijving
  • [gedaagde partij] heeft elke maand een bedrag van € 119,20 overgeboekt op de bankrekening van Hasuro en heeft daarbij als omschrijving vermeld
  • [gedaagde partij] heeft op 14 mei 2019 de overeenkomst bij [naam bestuurder] opgevraagd;
  • in de periode na 14 mei 2019 heeft [gedaagde partij] ook afgelost op de lening met een omschrijving die verwijst naar de aflossing van de geldlening;
  • op 11 november 2019 heeft [gedaagde partij] aan de advocaat van Hasuro laten weten dat zij bereid is om de lening af te betalen.
4.3.
De kantonrechter overweegt dat [gedaagde partij] de in rechtsoverweging 4.2 genoemde feiten en omstandigheden onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Daarom overweegt de kantonrechter dat de enkele betwisting van de ondertekening en/of parafering onvoldoende is om – in het licht van de door Hasuro gestelde feiten en omstandigheden - vast te houden aan het uitgangspunt dat de overeenkomst geen bewijs oplevert van de tussen partijen gemaakte afspraken zolang niet bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is.
4.4.
Ten aanzien van het verweer van [gedaagde partij] dat sprake is van een mondelinge overeenkomst van geldlening tussen haar en [naam bestuurder] overweegt de kantonrechter dat het [gedaagde partij] – in het licht van het voorgaande – niet is gelukt om dit voldoende onderbouwd te stellen. Dit betekent dat de kantonrechter voorbij gaat aan dit verweer.
4.5.
Omdat [gedaagde partij] de in rechtsoverweging 4.2 genoemde feiten en omstandigheden onvoldoende gemotiveerd heeft betwist en zij onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat sprake is van een mondelinge overeenkomst van geldlening tussen haar en [naam bestuurder] , komt de kantonrechter niet toe aan het verstrekken van een bewijsopdracht aan [gedaagde partij] .
4.6.
Gelet op wat is overwogen in rechtsoverwegingen 4.1 tot en met 4.5 en aangezien [gedaagde partij] niet heeft betwist dat zij van Hasuro een schriftelijke waarschuwing en ingebrekestelling heeft ontvangen, oordeelt de kantonrechter dat de geldlening opeisbaar is in de zin van artikel 5 lid 1 van Pro de overeenkomst. Dit betekent dat de vordering onder 1 inclusief de gevorderde contractuele rente zal worden toegewezen.
Vordering 2 (wettelijke rente)
4.7.
Hasuro vordert wettelijke rente over het bedrag van € 10.543,20 over de periode van 7 november 2019 tot de dag der algehele voldoening. De kantonrechter neemt aan dat aldus wordt bedoeld de wettelijke rente van artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek. De kantonrechter overweegt dat omdat tussen partijen een contractuele rente is overeengekomen en [gedaagde partij] zal worden veroordeeld tot betaling daarvan, de wettelijke rente niet ook kan worden toegewezen. Dit betekent dat vordering 2 zal worden afgewezen.
Vordering 3 (proceskosten, nasalaris en kosten van betekening)
4.8.
[gedaagde partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Hasuro worden begroot op:
- dagvaarding € 85,18
- griffierecht 486,00
- salaris advocaat
720,00(2,0 punten x tarief € 360,00)
Totaal € 1.291,18
4.9.
Het gevorderde nasalaris en kosten van betekening zullen op de hierna in het dictum weergegeven wijze worden toegewezen.
4.10.
Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft – gelet op wat hiervoor is overwogen - geen verdere bespreking en beoordeling meer.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan Hasuro tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 10.543,20 (tienduizendvijfhonderddrieënveertig euro en twintig eurocent), vermeerderd met de contractuele rente van 2% per jaar over het bedrag van € 10.543,20 met ingang van 7 november 2019 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten, aan de zijde van Hasuro tot op heden begroot op €1.291,18,
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen twee weken na aanschrijving door Hasuro volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten begroot op:
- € 120,00 (0,5 € 120,00 (0,5 punt x tarief € 360,00, met een maximum van € 120,00),
- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis.
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M.J.F. Piëtte en in het openbaar uitgesproken.