ECLI:NL:RBLIM:2020:7653

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
7 oktober 2020
Publicatiedatum
7 oktober 2020
Zaaknummer
C/03/272735 / HA ZA 20-15
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewindvoerder niet persoonlijk aansprakelijk voor onbetaalde zorgkosten onderbewindgestelde

RAZ en ECR Cauberg vorderen betaling van openstaande zorg- en woonkosten van de onderbewindgestelde, waarbij zij de bewindvoerder persoonlijk aansprakelijk stellen wegens onvoldoende inspanningen om de woning te verkopen en vermogensbestanddelen te gelde te maken.

De bewindvoerder was benoemd over de goederen van de onderbewindgestelde, die in een zorginstelling verbleef. Er was een regeling getroffen voor betaling uit de verkoopopbrengst van een woning, maar deze woning bleek onderdeel van een onverdeelde nalatenschap en werd niet geleverd. Daarnaast beschikte de onderbewindgestelde over vermogensbestanddelen in Duitsland, waarop geen incassopogingen zijn ondernomen.

De rechtbank oordeelt dat geen schade is vastgesteld omdat RAZ en ECR Cauberg hun verhaalsmogelijkheden op het vermogen van de onderbewindgestelde niet hebben benut. Hierdoor kan de bewindvoerder niet persoonlijk aansprakelijk worden gesteld. De vorderingen worden afgewezen en RAZ en ECR Cauberg worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen tegen de bewindvoerder worden afgewezen wegens het ontbreken van vastgestelde schade.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/272735 / HA ZA 20-15
Vonnis van 7 oktober 2020
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RESIDENTIËLE EN AMBULANTE ZORG (RAZ) B.V.,
gevestigd te Schoonhoven, gemeente Krimpenerwaard,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
EUROPEAN CARE RESIDENCES AND HOTEL DOMAINE CAUBERG B.V.,
gevestigd te Valkenburg,
eisers,
advocaat mr. F.E. Boonstra te 's-Gravenhage,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde],
gevestigd en kantoorhoudende te [plaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. R. Bosman te Rotterdam.
Partijen zullen hierna RAZ, ECR Cauberg en [gedaagde] worden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 16 december 2019 met producties 1 tot en met 6
  • de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 7
  • de dagbepaling van de mondelinge behandeling
  • de akte overlegging producties 7 tot en met 9 van RAZ en ECR Cauberg
  • het proces verbaal van de mondelinge behandeling gehouden op 22 juli 2020 met schriftelijke spreekaantekeningen van mr. Boonstra.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
ECR Cauberg is een instelling die huisvesting biedt aan personen die niet meer volledig zelfstandig kunnen wonen. RAZ is een instelling die, in samenwerking met ECR Cauberg, verantwoordelijk is voor de diensten en zorg van de bewoners in de vorm van maaltijdvoorziening, personenalarmering en huishoudelijke hulp.
2.2.
Bij beschikking van 10 januari 2017 van deze rechtbank (zaaknummer 5508476 BM VERZ 16-5016) is [gedaagde] met ingang van 16 januari 2017 benoemd tot bewindvoerder over de goederen toebehorend aan en mentor ten behoeve van de heer [naam onderbewindgestelde] (hierna te noemen [naam onderbewindgestelde] ).
2.3.
Begin februari 2017 is [naam onderbewindgestelde] opgenomen in ECR Cauberg. Betaling van de door RAZ en ECR Cauberg in rekening gebrachte kosten bleek echter beperkt mogelijk.
2.4.
Wegens achterstallige betalingen hebben RAZ en ECR Cauberg [gedaagde] in haar hoedanigheid als bewindvoerder ( [gedaagde] q.q.) bij deze rechtbank gedagvaard (zaaknummer C/03/253963 / HA ZA 18-421). In die procedure hebben RAZ, ECR Cauberg en Kerf q.q. op 18 januari 2019 een regeling getroffen die (onder andere) inhoudt dat [gedaagde] q.q. aan RAZ en ECR Cauberg bedragen van € 17.093,37 en € 89.201,70 zal betalen, te voldoen uit de verkoopopbrengst van de woning aan de [adres] in [plaats] , die [naam onderbewindgestelde] bewoonde voordat hij werd opgenomen in ECR Cauberg.
2.5.
[gedaagde] q.q. heeft rond 31 oktober 2018 de woning aan de [adres] in [plaats] verkocht. Het pand is op de beoogde leveringsdatum van 1 februari 2019 echter niet geleverd aan de koper, omdat de notaris was gebleken dat [naam onderbewindgestelde] niet enig eigenaar van de woning is. De woning maakt deel uit van een onverdeelde nalatenschap. [naam onderbewindgestelde] is één van de erfgenamen.
2.6.
Op 14 februari 2019 is [naam onderbewindgestelde] verhuisd naar een zorginstelling in Duitsland.
2.7.
Op verzoek van [naam onderbewindgestelde] en met akkoord van [gedaagde] zijn het bewind over de goederen toebehorend aan en het mentorschap ten behoeve van [naam onderbewindgestelde] bij beschikking van
30 oktober 2019 (zaaknummers 7908276 BM VERZ 19-2941 en 7908281 MS VERZ 19-687) opgeheven met ingang van 1 november 2019.
2.8.
Gedurende het bewind is de woning aan de [adres] in [plaats] niet geleverd aan de beoogde koper of een derde en heeft geen betaling van de hiervoor vermelde bedragen, waarvoor een regeling werd getroffen, plaatsgevonden.
2.9.
Tijdens het bewind beschikte [naam onderbewindgestelde] over meerdere vermogensbestanddelen (bankrekeningen en een verzekeringsbedrag) in Duitsland.
2.10.
RAZ en ECR-Cauberg hebben geen incassopogingen in Duitsland ondernomen.

3.De vordering

3.1.
RAZ en ECR Cauberg vorderen, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om aan RAZ een bedrag van € 17.425,52 en aan ECR Cauberg een bedrag van € 84.871,43 te betalen, te vermeerderen met buitengerechtelijke kosten, de proceskosten en de nakosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.Het geschil en de beoordeling

4.1.
RAZ en ECR Cauberg houden [gedaagde] persoonlijk aansprakelijk voor betaling van de bedragen die [naam onderbewindgestelde] wegens zorg-, woon- en servicekosten aan hen is verschuldigd en de hij tot heden onbetaald heeft gelaten. Onder verwijzing naar de zogenoemde Maclou-norm (vgl. HR 19 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2047) zijn zij, samengevat, van mening dat [gedaagde] zich ten tijde van de onderbewindstelling van de goederen van [naam onderbewindgestelde] onvoldoende heeft ingespannen om de woning aan de [adres] in [plaats] te verkopen dan wel de vermogensbestanddelen in Duitsland te gelde te maken.
4.2.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt (a) dat haar met betrekking tot de verkoop van de woning aan de [adres] in [plaats] geen persoonlijk verwijt kan worden gemaakt en (b) dat RAZ en ECR Cauberg geen schade hebben geleden nu zij de door [naam onderbewindgestelde] verschuldigde bedragen hadden kunnen innen middels beslaglegging op de vermogensbestanddelen van [naam onderbewindgestelde] in Duitsland, waarmee RAZ en ECR Cauberg bekend waren.
4.3.
Nog afgezien van het antwoord op de vraag of er sprake is van een handelen of nalaten van [gedaagde] op grond waarvan [gedaagde] in persoon door RAZ en ECR Cauberg aansprakelijk kan worden gehouden, kan de rechtbank niet vaststellen dat RAZ en ECR Cauberg schade hebben geleden. De verhaalsmogelijkheden op het (overige) vermogen van [naam onderbewindgestelde] zijn door RAZ en ECR, zoals zij tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard, onbenut gelaten. Niet gesteld of gebleken is dat verhaal op het vermogen van [naam onderbewindgestelde] in het geheel niet meer mogelijk is.
4.4.
Nu geen schade kan worden vastgesteld, zullen de vorderingen van RAZ en ECR Cauberg worden afgewezen.
4.5.
RAZ en ECR Cauberg zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht € 1.599,00
- salaris advocaat
3.414,00(2,0 punten × tarief € 1.707,00)
Totaal € 5.013,00
4.6.
De gevorderde nakosten en wettelijke rente over de proceskosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld is.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt RAZ en ECR Cauberg in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 5.013,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt RAZ en ECR Cauberg in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat RAZ en ECR Cauberg niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2020. [1]

Voetnoten

1.type: ED