Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
- dagvaarding € 106,47
- griffierecht 499,00
- salaris gemachtigde
Rechtbank Limburg
De zaak betreft een geschil over de exploitatie van een gehuurd bedrijfspand aan de huurder, een besloten vennootschap, die het pand niet langer als bakkerswinkel exploiteerde, wat in strijd is met de huurovereenkomst. De verhuurder vordert onder meer dat de huurder wordt verplicht het pand conform de bestemming te exploiteren, en dat boetes worden opgelegd wegens schending van deze exploitatieverplichting en te late huurbetalingen.
De kantonrechter stelt vast dat de huurder tot 22 juli 2019 het pand als bakkerswinkel gebruikte, maar daarna niet meer voldeed aan de exploitatieverplichting. De huurder gebruikte het pand slechts voor opslag en beweerde dat er bestellingen werden afgehaald, maar dit is niet bewezen. De primaire vordering tot exploitatie wordt toegewezen met een dwangsom van maximaal €15.000.
Verder wordt geoordeeld dat de boete wegens schending van de exploitatieverplichting pas verschuldigd is na een ingebrekestelling, welke op 12 november 2019 heeft plaatsgevonden. De boete wordt gematigd tot €25.000 voor de periode tot 14 dagen na betekening van het vonnis. De boete wegens 40 te late huurbetalingen wordt toegewezen in de vorm van wettelijke rente. De gevorderde incassokosten worden afgewezen. De huurder wordt veroordeeld in de proceskosten en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De huurder wordt verplicht het pand als bakkerswinkel te exploiteren en veroordeeld tot betaling van gematigde boetes en proceskosten.