ECLI:NL:RBLIM:2020:6031

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
14 augustus 2020
Publicatiedatum
14 augustus 2020
Zaaknummer
AWB-20_2007
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • Th.M. Schelfhout
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 5:7 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen rechtsoordeel vestiging dag- en nachtopvang verslaafden

Verzoekers, bewoners uit de nabijheid van het perceel, maken bezwaar tegen het rechtsoordeel van het college van burgemeester en wethouders van Heerlen dat de vestiging van een dag- en nachtopvang (DNO) voor verslaafden op het perceel binnen de geldende 'Maatschappelijke' bestemming past. Zij vrezen overlast en willen voorkomen dat de vestiging zonder vergunning doorgaat.

De voorzieningenrechter overweegt dat het rechtsoordeel een zelfstandig en definitief oordeel is, maar doorgaans niet als een appellabel besluit wordt aangemerkt. Alleen indien het alternatief – het verzoeken om handhaving – onevenredig bezwarend is, kan het rechtsoordeel als een Awb-besluit worden beschouwd. In deze zaak is dat niet het geval.

Omdat het verzoek om handhaving ook preventief kan worden ingezet en er geen spoedeisend belang is om de voorlopige voorziening toe te kennen, wordt het verzoek afgewezen. De uitspraak bindt niet in een bodemprocedure en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het rechtsoordeel wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en waarschijnlijk niet-ontvankelijk bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB/ROE 20/2007
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 augustus 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] en anderen, te [plaats 2] , verzoekers,

(gemachtigde: mr. R. Gillissen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 16 juli 2020 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de vestiging van een zogenoemde Dag- en Nachtopvang (DNO) voor verslaafden op het perceel [adres 1] in [plaats 1] past binnen de ter plaatse geldende ‘Maatschappelijke’ bestemming.
Verzoekers hebben tegen die brief bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de voorzieningenrechter bepaald dat een zitting achterwege kan worden gelaten.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Op 1 juli 2020 is namens het bewonerscomité [adres 2] een brandbrief aan de wethouder/portefeuillehouder gestuurd, waarin bezwaar wordt gemaakt tegen de voorgenomen verplaatsing van de DNO van de [adres 3] te [plaats 3] naar het perceel [adres 1] te [plaats 2] . De omwonenden van de nabijgelegen [adres 2] , waaronder verzoekers, zijn ervan op de hoogte dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen voornemens is om deze DNO zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk per mei volgend jaar, te verhuizen en vrezen voor overlast als gevolg van de vestiging van de DNO in hun directe omgeving.
3. Brief van 16 juli 2020 met kenmerk UIT-20002325-63 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de vestiging van een DNO voor verslaafden op het perceel [adres 1] (het voormalige “ [plaats 4] ”) past binnen de ‘Maatschappelijke’ bestemming die op grond van het bestemmingsplan “ [naam bestemmingsplan] ” ter plaatse geldt.
4. Namens onder meer verzoekers is bezwaar gemaakt tegen die brief en tevens is bij de voorzieningenrechter van de rechtbank een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. In het verzoek is vermeld dat het is gericht tegen het in de brief van 16 juli 2020 vervatte rechtsoordeel dat vestiging van een DNO past binnen de ter plaatse geldende ‘Maatschappelijke’ bestemming. Volgens verzoekers dient het rechtsoordeel als een appellabel besluit aangemerkt te worden omdat het onevenredig bezwarend is voor verzoekers als zij moeten wachten op ingebruikname en dan een handhavingsprocedure moeten opstarten. Om onomkeerbare gevolgen betreffende het gebruik van het pand [adres 1] te voorkomen verzoeken zij om de reeds zonder vergunning voor afwijkend gebruik in gang gezette voorbereiding te schorsen, totdat op de bezwaren in beroep zal zijn beslist.
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Aangezien uit de stukken blijkt dat het pand [adres 1] thans wordt verbouwd ten behoeve van de vestiging van een DNO is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek niet reeds vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang dient te worden afgewezen.
6. Voor het treffen van een voorlopige voorziening hangende bezwaar bestaat in de regel aanleiding indien het bezwaar een gerede kans van slagen heeft en de verzoeker niet zonder enig nadeel de beslissing op het bezwaar kan afwachten. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoekers die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van verweerder (en de derde-partij) die pleiten tegen het treffen daarvan, als volgt.
7. Verzoekers hebben onderkend dat zij bezwaar maken tegen een bestuurlijk rechtsoordeel. Een bestuurlijk rechtsoordeel is een zelfstandig en definitief bedoeld oordeel van een bestuursorgaan over de toepasselijkheid van een wettelijk voorschrift aangaande de toepassing waarvan dat orgaan bevoegdheden heeft. Volgens vaste rechtspraak worden zij, voor zover buitenwettelijk, niet aangemerkt als Awb-besluit, omdat het rechtsgevolg ervan rechtstreeks voortvloeit uit de wet en niet uit het oordeel van het bestuur. Diezelfde rechtspraak maakt om redenen van rechtsbescherming echter uitzondering als de alternatieve weg om over het oordeel een rechterlijke uitspraak te krijgen - in dit geval het verzoeken om handhaving, waarna de beslissing daarover in rechte kan worden aangevochten - in het concrete geval ‘onevenredig bezwarend’ wordt geacht. In dat geval wordt het rechtsoordeel voor de rechtsbescherming als een Awb-besluit aangemerkt of daarmee gelijkgesteld (onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 augustus 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AV1824).
8. Deze jurisprudentie toepassend op het onderhavige geval is de voorzieningenrechter van oordeel dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de alternatieve weg – het indienen van een handhavingsverzoek – onevenredig bezwarend is voor verzoekers. Er is dan ook geen aanleiding om het rechtsoordeel over de interpretatie van de bestemmingsplanregel als een appellabel (Awb-) besluit aan te merken of daarmee gelijk te stellen. Daarbij is het niet zo dat verzoekers met een verzoek om handhaving moeten wachten tot de (gestelde) overtreding heeft plaatsgevonden teneinde die te laten beëindigen. Ingevolge artikel 5:7 van Pro de Awb kan een herstelsanctie ook worden opgelegd zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt. Indien met een grote mate van waarschijnlijkheid vaststaat dat de overtreding zal plaatsvinden kan preventief om handhavend optreden worden gevraagd om te voorkomen dat de overtreding zal plaatsvinden.
9. Nu er geen aanleiding is om het onderhavige rechtsoordeel als een appellabel besluit aan te merken of daarmee gelijk te stellen, is er een gerede kans dat het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk is. Er bestaat dan geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Th.M. Schelfhout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier op 14 augustus 2020
griffier rechter
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
Afschrift verzonden aan partijen op: 14 augustus 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.