ECLI:NL:RBLIM:2020:5992

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
12 augustus 2020
Publicatiedatum
12 augustus 2020
Zaaknummer
AWB/ROE 19/2143
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 51 RVV 1990Art. 18 Wegenverkeerswet 1994Art. 7:1 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige aanwijzing van runderen als vee op Pruiskesweg in Weert

De Vereniging Natuurmonumenten heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Weert om een deel van de Pruiskesweg aan te wijzen als weg waar vee zonder toezicht mag lopen. Dit besluit was genomen in het kader van het aanleggen van veeroosters in het natuurgebied Kempen-Broek.

De rechtbank heeft overwogen dat het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV 1990) het loslopen van vee zonder toezicht op aangewezen wegen toestaat. De kernvraag was of de runderen in kwestie als vee kunnen worden aangemerkt. De Commissie Verbetering Begrazingsbeheer Kempen-Broek stelde dat deze runderen wilde dieren zijn en niet als regulier vee kunnen worden beschouwd.

Verweerder stelde dat de runderen wel als vee gelden omdat zij een eigenaar hebben, binnen een afrastering lopen, worden geregistreerd en gecontroleerd. De rechtbank oordeelde echter dat volgens de definitie van vee in het Van Dale woordenboek vee tamme dieren zijn, terwijl deze runderen als wild worden beschouwd.

Daarom heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder ten onrechte gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 51, tweede lid, van het RVV 1990. Het beroep is gegrond verklaard en het primaire besluit vernietigd. Verweerder is opgedragen het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot aanwijzing van de weg wordt vernietigd omdat de runderen niet als vee kunnen worden aangemerkt.

Uitspraak

RECHTBANK limburg
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB/ROE 19/2143
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 augustus 2020 in de zaak tussen
[eiser], eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert, verweerder
(gemachtigde: mr. H.L.M.G. Creemers).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Vereniging Natuurmonumenten, vertegenwoordigd door de heer [naam] .
Procesverloop
Bij ontwerpbesluit van 13 februari 2019 (hierna: het ontwerpbesluit) heeft verweerder, voor zover hier van belang, een deel van de Pruiskesweg aangewezen als weggedeelte waar vee tussen aan te leggen veeroosters zonder toezicht wordt toegelaten op de weg los te lopen.
Eiser heeft tegen het ontwerpbesluit een zienswijze ingediend.
Bij besluit van 2 juli 2019 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder een verkeersbesluit genomen inhoudende dat een deel van de Pruiskesweg wordt aangewezen als weggedeelte waar het is toegelaten ter plaatse rij- of trekdieren of vee zonder toezicht op de weg los te laten lopen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit op grond van artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (rechtstreeks) beroep ingesteld bij de rechtbank.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2020. Partijen zijn ter zitting verschenen.
Overwegingen
1. Vereniging Natuurmonumenten (hierna: de Vereniging) heeft verweerder op
23 oktober 2018 verzocht om een omgevingsvergunning teneinde twee veeroosters te mogen aanleggen op de Pruiskesweg te Weert in natuurgebied Kempen-Broek. Hierdoor worden de natuurgebieden Raamweide en Graus met elkaar verbonden. Deze vergunning is op
7 februari 2019 verleend. Verder heeft zij verzocht om, voor zover hier van belang, een deel van de Pruiskesweg aan te wijzen als zone waar vee(grazers) zonder toezicht los en over de weg mogen lopen.
2. Verweerder heeft bij het ontwerpbesluit van 13 februari 2019, voor zover hier van belang, een deel van de Pruiskesweg aangewezen als weg waar vee – tussen aan te leggen veeroosters – zonder toezicht op de weg kan los lopen.
3. Eiser heeft tegen dit ontwerpbesluit een zienswijze ingediend. Deze zienswijze heeft verweerder niet tot een andersluidend standpunt gebracht.
4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder een gedeelte van de Pruiskesweg over een lengte van 15 meter aangewezen als weggedeelte waar het is toegelaten ter plaatse rij- of trekdieren of vee zonder toezicht op de weg los te laten lopen.
5. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld.
6. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Ingevolge artikel 51, eerste lid, van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV 1990) is het verboden rij- of trekdieren of vee zonder toezicht op de weg los te laten lopen.
Ingevolge artikel 51, tweede lid, van het RVV 1990 geldt het eerste lid niet ten aanzien van wegen die door het bevoegde gezag zijn aangewezen.
Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wegenverkeerswet 1994 worden verkeersbesluiten genomen voor zover zij betreffen het verkeer op andere wegen door burgemeester en wethouders, of krachtens besluit van hen, door een door hen ingestelde bestuurscommissie.
7. Eiser heeft betoogd dat een aanwijzing op grond van artikel 51 van Pro RVV 1990 in dit geval niet mogelijk is, omdat de runderen waar het hier om gaat niet kunnen worden aangemerkt als “vee” in de zin van voormeld artikel. Hij ziet zich in zijn standpunt gesteund door het advies van de Commissie Verbetering Begrazingsbeheer Kempen-Broek (hierna: de Commissie), dat onderdeel uitmaakt van het procesdossier. Volgens de Commissie kunnen de runderen in Kempen-Broek niet aangemerkt worden als regulier vee. Ze leven in de natuur als wilde dieren.
8. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de runderen wel degelijk kunnen worden aangemerkt als vee. Verweerder geeft aan dat de dieren binnen een afrastering lopen en een eigenaar hebben. Verder kunnen ze worden bijgevoerd en is er toezicht en controle door de Vereniging. Daarnaast kunnen de dieren worden gevangen en verplaatst. De dieren hebben een oormerk en worden geregistreerd. Ook wordt er gestuurd op voortplanting en kunnen de dieren geslacht worden.
9. De rechtbank overweegt dat uit artikel 51, tweede lid, van het RVV 1990, voor zover hier van belang, volgt dat het niet verboden is om vee zonder toezicht op de weg los te laten lopen op wegen die door het bevoegde gezag zijn aangewezen. De vraag die thans voorligt is of de betreffende runderen als vee kunnen worden aangemerkt.
Volgens het woordenboek van Van Dale is de definitie van vee: “tamme, viervoetige dieren die melk, wol, vlees enz. leveren.” Tam is het tegenovergestelde van wild. Dit is de term die de Commissie hanteert om de runderen aan te duiden. Nu de runderen niet kunnen worden aangemerkt als vee, heeft verweerder ten onrechte gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid zoals deze is neergelegd in artikel 51, tweede lid, van het RVV 1990.

10.Het beroep is daarom gegrond en het primaire besluit wordt herroepen.

Aan een bespreking van de overige beroepsgronden komt de rechtbank niet meer toe.
11. De rechtbank draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

12.Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • herroept het primaire besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.H. Span-Henkens, rechter, in aanwezigheid van
mr. D.S.A.W. Raes, griffier
.De beslissing is uitgesproken op 12 augustus 2020
Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is wordt, voor zover nodig, deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: 12 augustus 2020
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.