Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- het verzoekschrift met 19 bijlagen
- twee door Copacabana ingezonden USB-sticks met geluidopnames
- de brief van 4 februari 2020 waarin [verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek] verzoekt de geluidopnames buiten beschouwing te laten
- de brief/e-mail van 19 februari van waarin Copacabana reageert op het verzoek om de geluidopnames buiten beschouwing te laten
- het verweerschrift (tevens voorwaardelijk tegenverzoek) met 49 bijlagen
- de nagezonden bijlage 23 van Copacabana, dit maal als kleurenkopie
- de nagezonden bijlagen 20 tot en met 23 van [verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek]
- de mondelinge behandeling op 3 maart 2020, waarbij beide partijen een pleitnota overgelegd hebben. De pleitnota van Copacabana bevat een wijziging van het voorwaardelijke tegenverzoek.
2.De feiten
1 januari 2018, gewerkt in de functie van vestigingsmanager tegen een brutoloon van
€ 2.229,50 per maand exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten waaronder weekendtoeslag en zaalcheftoeslag.
[naam HR Officer] (hierna: [naam HR Officer] ) [verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek] medegedeeld dat op 25 en 26 november 2019 zullen worden besteed om met alle medewerkers een persoonlijk gesprek (een uur per medewerker) te voeren om alle irritaties, frustraties, onduidelijkheden, leugens, miscommunicatie etc. op tafel te krijgen. [naam HR Officer] heeft [verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek] daarom uitgenodigd voor een gesprek op 25 november 2015. Verder heeft zij aangekondigd dat aansluitend aan de gesprekken op 26 november 2019 een overleg met het gehele team zal plaatsvinden.
3.Het geschil
4.De beoordeling
Het ontslag op staande voet
Daarop zegt mevrouw [naam HR Officer] : “Dat is fraude [verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek] ”. Waarop u zegt: “Ja, klopt” pag. 6 van de aangehaalde brief). Copacabana lijkt daarmee dan ook onterecht de gemotiveerde verweren van [verzoeker, tevens verweerder in het tegenverzoek] bij verzoekschrift als ‘leugenachtig’ te willen afdoen, hetgeen echter naar het oordeel van de kantonrechter in casu niet acceptabel en ongegrond is.