De rechtbank Limburg behandelde op 30 december 2020 het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot beëindiging van het ouderlijk gezag over een minderjarige. De vader heeft zich circa twee jaar geleden volledig teruggetrokken uit het leven van de minderjarige, waardoor hij niet langer in staat is de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding te dragen. De rechtbank acht het gezag van de vader daarom te beëindigen.
Ten aanzien van de moeder is het verzoek aangehouden. De moeder heeft positieve stappen gezet, waaronder het zoeken van hulpverlening en het stoppen met middelengebruik, maar moet nog aantonen dat zij deze ontwikkelingen kan vasthouden en adequaat voor de minderjarige kan zorgen. De voogdij wordt voorgesteld toe te wijzen aan de GI, die als neutrale instantie de belangen van de minderjarige kan waarborgen.
De minderjarige is gehoord en geeft aan liever bij de moeder te willen wonen, ondanks de huidige stabiele situatie bij de pleegmoeder (oma). De rechtbank houdt rekening met het loyaliteitsconflict en de noodzaak van een stabiele en voorspelbare opvoedsituatie. De behandeling van het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder wordt aangehouden tot een zitting in maart 2021, waarbij de voortgang schriftelijk wordt gerapporteerd.