ECLI:NL:RBLIM:2020:10048

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
17 december 2020
Publicatiedatum
17 december 2020
Zaaknummer
8867044 CV EXPL 20-5559
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming gehuurde wegens huurachterstand en afwijzing terme de grâce

Tussen verhuurder en huurders is een huurovereenkomst voor een woning gesloten, waarbij de huurpenningen vooruitbetaald dienen te worden. De huurders, echtelieden die hoofdelijk aansprakelijk zijn, hebben een aanzienlijke huurachterstand opgebouwd van €8.200 tot en met november 2020, en ook de huur van december 2020 is niet voldaan.

Tijdens een politieactie werd in het gehuurde een hennepplantage en cocaïne aangetroffen, waarna één huurder als verdachte werd aangehouden. Ondanks een besluit van de burgemeester om het gehuurde niet te sluiten, wonen de huurders er nog steeds. De verhuurder vordert in kort geding onmiddellijke ontruiming en betaling van de huurachterstand en lopende huur.

De huurders erkennen de achterstand maar verzoeken om een terme de grâce om ontbinding van de huurovereenkomst te voorkomen. Dit verzoek wordt afgewezen omdat zij onvoldoende aannemelijk maken dat zij de achterstand kunnen inlopen. De kantonrechter veroordeelt de huurders tot ontruiming binnen veertien dagen na betekening en tot betaling van de achterstallige huur, lopende huur en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Huurders worden veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen en betaling van achterstallige huur en kosten.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 8867044 CV EXPL 20-5559
Vonnis in kort geding van de kantonrechter van 17 december 2020
in de zaak van:
[eiser] ,
wonend te [woonplaats 1] ,
eiser,
gemachtigde mr. J.L.M. Martens,
tegen:

1.[gedaagde sub 1] , en

2.
[gedaagde sub 2],
beiden wonend te [woonplaats 2] ,
gedaagden,
gemachtigde mr. D.M. Gijzen.
Partijen zullen hierna [eiser] , [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagden] worden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met producties 1 en 2
  • de brief, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op 7 december 2020, van [eiser] waarbij hij de conclusie van antwoord van [gedaagden] in de tussen partijen aanhangige bodemzaak bij de rechtbank met zaaknummer 8833333 CV EXPL
20-5200 heeft aangeleverd waarvan, na instemming door [gedaagden] , de inhoud in deze procedure als ingelast geldt
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 17 december 2020 waarbij [eiser] , mr. Martens voornoemd, [gedaagden] en mr. Gijzen voornoemd zijn verschenen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Tussen [eiser] als verhuurder en [gedaagde sub 1] als huurder is op 1 juni 2010 een huurovereenkomst voor bepaalde tijd tot 30 juni 2012 en sinds 30 juni 2012 voor onbepaalde tijd gesloten voor de woning (verder: het gehuurde) aan de [adres] te [woonplaats 2] . Partijen zijn daarbij – onder meer – overeengekomen dat de huurpenningen (van thans € 740,00) bij vooruitbetaling dienen te worden voldaan.
2.2.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn echtelieden, waardoor [gedaagde sub 2] van rechtswege medehuurder is en samen met [gedaagde sub 1] jegens [eiser] hoofdelijk aansprakelijk is voor de nakoming van de verplichtingen uit de huurovereenkomst.
2.3.
Op 8 oktober 2019 is door de politie in het gehuurde een in werking zijnde hennepplantage en 3,1 gram cocaïne aangetroffen en is [gedaagde sub 2] als verdachte aangehouden.
Aangezien [gedaagde sub 1] te kennen gaf dat zij eind januari 2020 elders woonruimte zouden betrekken en niets van de hennepplantage van haar echtgenoot afwist, heeft de burgemeester van Heerlen besloten om het gehuurde niet te sluiten. [gedaagden] zijn niet verhuisd en wonen tot op heden samen in het gehuurde.
2.4.
De huurachterstand tot en met november 2020 bedraagt € 8.200,00 en is door [gedaagden] , ondanks sommatie en ingebrekestelling, niet betaald. De huurpenningen van december 2020 zijn door [gedaagden] evenmin betaald.
2.5.
Tussen partijen is een bodemzaak onder zaaknummer 8833333 CV EXPL 20-5200 bij deze rechtbank aanhangig die, met instemming van beide partijen, gelijktijdig met deze kort geding procedure is behandeld.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert bij wijze van onmiddellijke voorziening bij voorraad – verkort weergegeven – [gedaagden] te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen en hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van de huurverhoging en de huurachterstand tot en met november 2020 van in totaal € 8.200,00, van € 740,00 per maand vanaf 1 december 2020 totdat het gehuurde is ontruimd, van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, en van de nakosten.
3.2.
[gedaagden] hebben ter mondelinge behandeling de hoogte en de verschuldigdheid van de vorderingen van [eiser] erkend doch vragen om een terme de grâce om de ontbinding van de huurovereenkomst te voorkomen.
3.3.
Op de stellingen van partijen zal hierna voor zover relevant nader ingegaan worden.

4.De beoordeling

4.1.
Met inachtneming van de vaststaande feiten en de erkenning door [gedaagden] van de hoogte en de verschuldigdheid van de vorderingen van [eiser] staat het spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening en het verzuim van [gedaagden] genoegzaam in rechte vast en liggen de onweersproken vorderingen van [eiser] voor toewijzing gereed met dien verstande dat de ontruimingstermijn op de in dit soort zaken gebruikelijk gehanteerde termijn van veertien dagen na betekening van dit vonnis zal worden gesteld.
4.2.
De door [gedaagden] gevraagde terme de grâce zal worden afgewezen aangezien [gedaagden] op geen enkele wijze aannemelijk of anderszins inzichtelijk hebben gemaakt dat zij de huurachterstand en de lopende huurpenningen kunnen betalen en [eiser] heeft aangegeven dat hij met het ter mondelinge behandeling door [gedaagden] in dat kader aangeboden bedrag van € 7.000,00, dat lager is dan de huurachterstand en de huurpenningen van december 2020 van in totaal € 8.940,00, niet aanvaard. De stelling van [gedaagde sub 2] dat hij per januari 2021
mogelijkeen baan krijgt en dat het dan gemakkelijker zal zijn om te kunnen betalen maakt voormeld oordeel niet anders.
4.3.
[gedaagden] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van [eiser] gerezen en tot op heden begroot op:
  • dagvaarding € 100,89
  • griffierecht € 236,00
  • salaris gemachtigde
Totaal: € 1.056,89
4.4.
De gevorderde rente over de proceskosten en de gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als hieronder bij de beslissing bepaald.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagden] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde aan de [adres] te [woonplaats 2] te ontruimen en te verlaten met alle zich daarop en daarin bevindende personen en met al hetgeen zich daarin bevindt en het gehuurde met afgifte van de sleutels ter algehele en vrije beschikking van [eiser] te stellen overeenkomstig het tussen partijen geldende huurcontract, met machtiging aan [eiser] , indien [gedaagden] met voormelde ontruiming in gebreke zouden blijven, om die ontruiming zelf op kosten van [gedaagden] uit te voeren of te doen uitvoeren,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, tot betaling:
van € 8.200,00 (zijnde de reeds vervallen huurpenningen van januari 2020 tot en met november 2020 van in totaal € 8.020,00 en de niet betaalde huurverhoging van juli 2019 tot en met december 2019 van in totaal € 180,00),
van € 740,00 per maand, telkens voor de eerste van de maand te voldoen, vanaf 1 december 2020 totdat het gehuurde door [gedaagden] aan [eiser] leeg en ontruimd is opgeleverd en ter vrije beschikking is gesteld onder overhandiging van de sleutels,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] in de kosten van deze procedure, tot aan dit vonnis aan de zijde van [eiser] gerezen en begroot op € 1.056,89, te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening indien [gedaagden] niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis deze hebben betaald en onder de voorwaarde dat, indien [gedaagden] niet binnen veertien dagen na aanschrijving door [eiser] volledig aan dit vonnis hebben voldaan, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 120,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M. Drenth en in het openbaar uitgesproken.
type: YT