ECLI:NL:RBLIM:2019:9776
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing dwangakkoord en toewijzing wettelijke schuldsaneringsregeling
Verzoekster heeft primair verzocht om dwangakkoord op grond van artikel 287a Faillissementswet, waarbij verweerder als schuldeiser bezwaar maakte tegen het lage aanbod. Verweerder onderbouwde zijn bezwaar met analyses van slotuitdelingslijsten uit zijn praktijk, waaruit bleek dat wettelijke trajecten doorgaans hogere uitkeringen opleveren dan het minnelijk aanbod.
De rechtbank stelde vast dat de totale schuldenlast lager was dan aanvankelijk opgegeven en dat verweerder de enige schuldeiser was die het akkoord weigerde. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht zijn instemming weigerde omdat het aanbod lager was dan zijn vordering en dat het belang van verzoekster en andere schuldeisers niet zwaarder woog dan dat van verweerder.
De rechtbank baseerde dit oordeel mede op het feit dat verzoekster sinds augustus 2018 weer werkt en daardoor een hogere afloscapaciteit heeft dan in het aanbod was verwerkt. Tevens was er al een aanzienlijk bedrag gespaard voor de schuldeisers. De rechtbank vond dat het wettelijke traject meer waarborgen biedt voor schuldeisers dan het minnelijk traject.
Daarom wees de rechtbank het primaire verzoek tot dwangakkoord af en wees zij subsidiair de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling toe. Verzoekster werd aangemaand zich aan de regels te houden en er werd een rechter-commissaris en bewindvoerder benoemd.
Uitkomst: Het verzoek tot dwangakkoord wordt afgewezen en subsidiair wordt de wettelijke schuldsaneringsregeling toegewezen.