Uitspraak
RECHTBANK limburg
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 augustus 2019 in de zaak tussen
[naam 1] , te [plaatsnaam] , eiser
[naam 2] en [naam 3], te [plaatsnaam] , vergunninghouders
Procesverloop
Overwegingen
een woning in of bij een bedrijfsgebouw of op dan wel bij een terrein, dienend voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden of maximaal vier personen die geen huishouden vormen, wiens huisvesting ter plaatse, gelet op de bedrijfsvoering, noodzakelijk is”. Het gebruik als burgerwoning valt niet onder deze definitie en is dus in strijd met het bestemmingsplan.
ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar”.
Het is verstandig rekening te houden met niet alleen het karakter van het gebied, maar ook de redelijkerwijs te voorziene bedrijfsontwikkelingen van het bijbehorende bedrijf. Op grond van (…) het wetsvoorstel geniet de plattelandswoning geen bescherming tegen de nadelige milieueffecten van dat bedrijf. Indien de gemeente wil garanderen dat ter plaatse ook in de toekomst een goed woon- en leefklimaat bestaat, kan er aanleiding zijn niet over te gaan tot aanwijzing van de woning als plattelandswoning. De woning zou dan immers niet beschermd zijn tegen de effecten van het bedrijf in zijn huidige hoedanigheid en omvang, maar in beginsel ook niet tegen de effecten van datzelfde bedrijf na eventuele, al dan niet ingrijpende, uitbreiding of wijziging van de bedrijfsactiviteiten. Het is dus zaak dat de gemeente bij de besluitvorming niet alleen kijkt naar het bestaande bedrijf, maar in de afweging ook de te voorziene ontwikkeling van het bedrijf in kwestie betrekt.” (Kamerstukken II 2011-2012, 33 078, nr. 3, blz. 10 en 11).
(…) voor (…) bijvoorbeeld potentiële belangstellenden voor zo’n woning (…) kan de term ‘plattelandswoning’ onbedoeld een te rooskleurig beeld geven, terwijl het eigenlijk gaat om een woning waar het leefklimaat suboptimaal kan zijn. De woning wordt immers niet beschermd tegen de nadelige milieueffecten (…) van het agrarische bedrijf waartoe de woning voorheen behoorde, en dat betekent een lager beschermingsniveau dan een normale burgerwoning.” (Kamerstukken II 2011-2012, 33 078, nr. 3, blz. 8).
Het belangrijkste onderdeel, tevens de grootste gemene deler van de reacties van VNG en IPO, betrof de onderbouwing van het besluit om een woning als plattelandswoning aan te merken. Van de zijde van beide organisaties is benadrukt dat bij de ruimtelijke besluitvorming onderbouwd zal moeten worden dat ter plaatse van de plattelandswoning een goed woon- en leefklimaat geboden moet kunnen worden. Gezien de veelal beperkte afstand tussen plattelandswoningen en nabijgelegen bedrijfsopstallen kan dat lastig zijn, met name in situaties waarin de bedrijfsvoering ter plaatse niet wordt beëindigd. In dit verband is het belang van een integrale ruimtelijke afweging in de memorie van toelichting nader benadrukt en verduidelijkt.” (Kamerstukken II, 2011-2012 , 33 078, nr. 3, blz. 14).
Voormalige agrarische bedrijfswoningen mogen enkel bewoond worden door anderen dan agrariërs wanneer de nabijgelegen agrarische bedrijven daarvan geen nadeel ondervinden met betrekking tot hun huidige en toekomstige bedrijfsvoering en waar ter plaatse van die woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.”
Hierdoor dient men te aanvaarden dat de geluids- en geurbelasting op een plattelandswoning in veel gevallen hoger is dan op een reguliere burgerwoning acceptabel wordt geacht. Dit betekent dat, behalve ten aanzien van de luchtkwaliteit, de gemeente geen minimale eisen oplegt aan het woon- en leefklimaat.” Verweerder acht daarmee een (zeer) laag niveau van het woon- en leefklimaat voor een plattelandswoning nog aanvaardbaar. Het is dan aan eiser om bijzondere omstandigheden aan te voeren op grond waarvan moet worden geoordeeld dat als gevolg van zijn bedrijf, ter plaatse van de woning van de vergunninghouders geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2317).
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,-.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2019.