ECLI:NL:RBLIM:2019:7370

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
7 augustus 2019
Publicatiedatum
12 augustus 2019
Zaaknummer
C/03/266913 HA RK 19/159
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.1 wrakingsprotocol rechtbank LimburgArt. 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking afgewezen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid na einduitspraak

Verzoekster diende een verzoek tot wraking in tegen de rechter mr. dr. M.C.A.E. van Binnebeke in een familierechtelijke procedure, nadat op 9 juli 2019 een einduitspraak was gedaan.

De wrakingskamer stelt vast dat de wet geen mogelijkheid biedt tot wraking na het wijzen van een einduitspraak in de hoofdzaak. Volgens artikel 9.1 van het wrakingsprotocol van de rechtbank Limburg kan een verzoek tot wraking dat na de einduitspraak wordt ingediend wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid zonder zitting worden afgewezen.

Daarnaast is een wrakingsverzoek alleen mogelijk tegen een rechter die de zaak behandelt. Nu aan de rechter geen procedure meer is toebedeeld waarbij verzoekster partij is, is de rechter geen behandelend rechter meer en is het verzoek ook om die reden niet-ontvankelijk.

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking daarom af wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid. Mr. Raab kon de beslissing niet medeondertekenen wegens verhindering.

Uitkomst: Het verzoek tot wraking is afgewezen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid omdat het na de einduitspraak is ingediend.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Wrakingskamer
Zaaknummer: C/03/266913 / HA RK 19/159

Beslissing van de meervoudige kamer belast met behandeling van wrakingszaken

in de zaak van:
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster,
indiener van een verzoek strekkende tot wraking van mr. dr. M.C.A.E. van Binnebeke, rechter in deze rechtbank, hierna: de rechter.

De beoordeling van het verzoek

Het onderhavige verzoek is ingediend op 21 juli 2019 en ter griffie ontvangen op 22 juli 2019. Het verzoek heeft betrekking op een familierechtelijke procedure (voorlopige voorziening), waarin de rechter op 9 juli 2019 uitspraak heeft gedaan.
De wrakingskamer stelt vast dat het verzoek is ingediend op een tijdstip gelegen nadat in de hoofdzaak een einduitspraak is gewezen. De wet voorziet echter niet in de mogelijkheid van wraking nadat einduitspraak is gedaan in de zaak van verzoeker.
In artikel 9.1, aanhef en onder c, van het wrakingsprotocol van de rechtbank Limburg, vastgesteld door het bestuur van de Rechtbank Limburg bij besluit van 15 november 2017, is bepaald dat de wrakingskamer een verzoek tot wraking wegens kennelijke niet-
ontvankelijkheid zonder behandeling ter zitting aanstonds kan afwijzen, indien het verzoek is ingediend na het tijdstip waarop in de hoofdzaak einduitspraak is of wordt gedaan.
De strekking hiervan is dat alleen ten aanzien van de behandelend rechter een verzoek tot
wraking kan worden ingediend.
De wrakingskamer zal het verzoek wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid afwijzen.
Voor zover verzoekster heeft verzocht de rechter te wraken in de echtscheidingsprocedure en elke eventueel toekomstige civiele- of strafrechtelijke procedure, zal de wrakingskamer eveneens het verzoek wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid afwijzen. Een wrakingsverzoek moet, gelet op het bepaalde in artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, gericht zijn tegen de rechter die de betreffende zaak behandelt. Aan de rechter is thans geen procedure meer toebedeeld waarbij verzoekster partij is. De rechter is derhalve geen behandelend rechter meer.
Ingevolge artikel 9.1, aanhef en onder d, van voornoemd wrakingsprotocol kan een dergelijk verzoek wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid eveneens zonder behandeling ter zitting aanstonds worden afgewezen.

De beslissing

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Klifman, voorzitter, mr. A.M. Schutte en
mr. W.Th.M. Raab, leden en in tegenwoordigheid van de griffier, mr. C.K. Spronk, in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2019.
Buiten staat:
Mr. Raab is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.