Op 24 februari 2014 werd een ondergrondse hennepkwekerij aangetroffen bij de loodsen aan de [adres] en bij [adres] te Guttecoven. De ingang van de kwekerij bleek, nadat daarnaar uren was gezocht, verstopt te zitten in de loods bij [adres] . De ondergrondse hennepkwekerij bestond uit vier ruimten. Drie ruimten bevonden zich in een oude gierkelder, gelegen tussen de twee loodsen in, en de vierde ruimte was een uitgegraven ruimte onder de vloer van de loods [adres] . De loods [adres] was eigendom van de echtgenote van verdachte en werd - volgens verdachte - verhuurd aan medeverdachte [medeverdachte 1] , in ieder geval maakte deze gebruik van die loods. De loods bij [adres] is sinds 21 juni 2013 eigendom van medeverdachte [medeverdachte 2] (en was voorheen ook eigendom van de echtgenote van verdachte) en werd verhuurd aan medeverdachte [medeverdachte 1] .
Voor het primair tenlastegelegde medeplegen dient wettig en overtuigend te worden bewezen dat verdachte opzet had op de samenwerking met de overige plegers en op het te verrichten strafbare feit (in casu de hennepkwekerij). Voor de subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid dient wettig en overtuigend te worden bewezen dat verdachte opzettelijk gelegenheid heeft verschaft tot het plegen van het misdrijf en tevens dat verdachtes opzet - al dan niet in voorwaardelijke vorm - was gericht op het door de dader(s) gepleegde misdrijf (in casu de hennepkwekerij).
Om een van deze varianten bewezen te kunnen achten zal op z’n minst moeten vaststaan dat verdachte wist van de hennepkwekerij bij de betreffende loodsen. Echter, noch het dossier, noch het onderzoek ter terechtzitting hebben naar het oordeel van de rechtbank bewijsmiddelen opgeleverd waaruit voortvloeit dat verdachte wist (al dan niet in voorwaardelijke zin) dat er een ondergrondse ruimte was met daarin een hennepkwekerij, laat staan dat verdachte die hennepkwekerij zelf (alleen of samen met een ander) exploiteerde, danwel met dat opzet de loods(en) ter beschikking heeft gesteld.
Het enkele feit dat verdachte eigenaar/verhuurder/gebruiker was van de loods(en) en de omstandigheden die door de officier van justitie zijn aangevoerd omtrent de betrokkenheid van verdachte, acht de rechtbank onvoldoende voor het bewijs voor wetenschap van de hennepkwekerij. Ook anderszins is niet gebleken van die wetenschap. Verdachte heeft verklaard dat hij niets wist van de hennepkwekerij, dat hij soms een keer per maand bij de loods kwam, soms twee keer per week en ook regelmatig voor langere tijd (enkele maanden) in het buitenland verbleef. Deze stelling van verdachte wordt niet weerlegd door bewijsmiddelen in het dossier, zoals bijvoorbeeld observaties of getuigenverklaringen. Daarbij woonde verdachte niet op het terrein waar de loodsen zich bevonden, noch in de nabijheid daarvan. Op basis daarvan is de rechtbank van oordeel dat het mogelijk is dat de hennepkwekerij door anderen is opgebouwd en is onderhouden in afwezigheid van verdachte. De hennepkwekerij was goed verstopt. Uit het relaas van de verbalisanten blijkt dat zij pas na 3 uur zoeken, onder bladeren en metalen golfplaten, een toegang vonden tot de gierkelder die uiteindelijk leidde tot de ontdekking van de ondergrondse hennepkwekerij. Pas van binnenuit de hennepkwekerij werd uiteindelijk de toegang daartoe vanuit de loods bij [adres] aangetroffen. Op foto’s in het dossier is te zien, dat deze toegang de vorm heeft van een soort badkuipstop, maar dan van beton, die in de vloer is verzonken en in het geheel niet opvalt. Nu de verbalisanten, die hiernaar op zoek waren, deze ingang na 3 uur zoeken niet hebben ontdekt, is het mogelijk dat verdachte inderdaad niet heeft geweten van de aanwezigheid van de hennepkwekerij. Een deel van de hennepkwekerij bevond zich onder de vloer van de loods [adres] , die eigendom is van de vrouw van verdachte. Hoewel het niet aannemelijk lijkt dat verdachte geen weet had van het feit dat in zijn loods een dergelijke ruimte is uitgegraven, ingericht als plantage en vervolgens weer is toegedekt, is er ook geen bewijs dat verdachte die wetenschap wel had. Nogmaals, de loods ligt in een buitengebied, op kilometers afstand van het woonadres van verdachte en er is geen harde informatie in het dossier aangetroffen over de periode waarin de kwekerij zou moeten zijn aangelegd. De enige getuige die daarover heeft verklaard is de heer [getuige] , die op het perceel naast verdachte paarden houdt, en die heeft gezien dat op een gegeven moment de grond rondom de loods van verdachte is opgehoogd, hetgeen zou kunnen betekenen dat toen de ruimte is uitgegraven. Deze getuige heeft echter niet gezien dat verdachte daar bij betroken was en is bovendien zeer onnauwkeurig in het dateren van dit gebeuren (variërend tussen 3 en 7 jaar geleden).
Verdachte heeft een verklaring gegeven waarom er een hennepblaadje in zijn auto is aangetroffen, namelijk dat dit aan zijn schoen moet hebben gehangen nadat hij de onlangs geruimde hennepkwekerij heeft bezocht. Ook heeft hij gesteld dat de goederen die in de loods en het tuinhuisje bij zijn woning zijn aangetroffen die bestemd zijn voor de hennepteelt afkomstig zijn van de ruiming van een voorgaande hennepkwekerij in zijn loods. Hoewel deze omstandigheden verdacht zijn, vindt de rechtbank ze onvoldoende om aan te nemen dat verdachte wist van de aangetroffen hennepkwekerij.
Gelet op vorenstaande acht de rechtbank onvoldoende bewijs voor de wetenschap van de hennepkwekerij aanwezig en zal zij verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 tenlastegelegde.
De rechtbank acht voorts niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, al dan niet samen met anderen, elektriciteit heeft gestolen. Hetgeen hiervoor is overwogen laat ook de mogelijkheid open dat anderen de stroom illegaal hebben afgetapt en dat verdachte hier, zoals hij ook zelf heeft verklaard, geen wetenschap van had. Het energiecontract stond op naam van medeverdachte [medeverdachte 1] en niet op zijn naam. De rechtbank spreekt verdachte daarom ook vrij van het onder 2 tenlastegelegde.