De rechtbank Limburg behandelde de zaak van een verdachte die werd verdacht van medeplichtigheid aan pogingen tot moord op twee slachtoffers en het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie.
De officier van justitie achtte medeplichtigheid aan twee pogingen tot moord bewezen en het medeplegen van verboden wapenbezit. De verdediging betoogde dat verdachte uit angst en onder bedreiging handelde en geen opzet had, en verzocht vrijspraak.
De rechtbank oordeelde dat verdachte het vuurwapen had bewaard en overgedragen, maar dat het enkel overhandigen van het wapen, ondanks de gespannen situatie, onvoldoende is om medeplichtigheid aan poging tot moord vast te stellen. Verdachte werd vrijgesproken van de pogingen tot moord, maar veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden voor het verboden wapenbezit.
De straf werd gematigd vanwege de omstandigheden waaronder het gebeurde en de persoonlijke situatie van verdachte, waaronder angst voor represailles en schuldgevoelens. De rechtbank legde een proeftijd van 2 jaar op om herhaling te voorkomen.