Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
- Voor feit 1 primair is geen bewijs voorhanden dat het niet voeren van administratie geschiedde in het vooruitzicht van een faillissement ter bedrieglijke verkorting van schuldeisers. Daarvan is alleen sprake als er opzet op fraude was.
- Voor feit 1 primair en subsidiair moet worden onderscheiden of er geen administratie is gevoerd óf dat deze wel is gevoerd, maar niet is bewaard óf dat een administratie is gevoerd en bewaard, maar niet is afgegeven. Het is niet strafbaar als een administratie die niet is gevoerd of bewaard, niet wordt afgegeven; je kunt namelijk niet iets afgeven dat er niet (meer) is,
- Voor feit 2 primair en subsidiair moet vrijspraak volgen omdat er in die periode geen enkele communicatie meer tussen curator en verdachte is geweest waaruit kan worden afgeleid dat verdachte niet wilde voldoen aan een verzoek tot afgifte van administratie.
- Over feit 3 merkt de verdediging op dat ook dat artikel per 1 juli 2016 is gewijzigd, maar dat de informatieplicht over de hele periode is gebaseerd op het nieuwe artikel 194 Sr Pro. Daarin ontbreekt het vereiste uit de oude tekst dat wettelijk moest zijn opgeroepen om informatie te verstrekken. Omdat een formele oproep tot het geven van informatie ontbreekt (verzoeken om informatie werden per mail gedaan), moet over de periode tot 1 juli 2016 worden vrijgesproken. Omdat daarna geen enkele informatie meer is gevraagd, moet ook voor het overige worden vrijgesproken.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf en/of de maatregel
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren;
- bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 uren;
- beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;