Eiseres is sinds 1999 in dienst bij gedaagde, laatstelijk als medewerker incasso- en faillissementspraktijk. Zij meldde zich ziek op 20 november 2018. De bedrijfsarts stelde op 18 december 2018 vast dat er sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding, maar geen ziekte die arbeidsongeschiktheid veroorzaakte. Gedaagde stelde dat de arbeidsovereenkomst per 31 december 2018 was geëindigd, maar eiseres betwistte dit en vorderde betaling van loon vanaf januari 2019.
Het UWV oordeelde op 30 januari 2019 dat eiseres arbeidsgerelateerde arbeidsongeschiktheid had en haar eigen werk sinds 20 november 2018 niet kon verrichten. De kantonrechter stelde in een eerdere beschikking dat geen sprake was van een opzegging door gedaagde en dat de arbeidsovereenkomst nog bestond. In een kort geding vorderde eiseres loonbetaling vanaf 1 januari 2019.
De kantonrechter overwoog dat de vordering spoedeisend is, maar dat in kort geding geen nader feitenonderzoek mogelijk is. Er is onduidelijkheid over de oorzaak van het niet verrichten van arbeid en over de medewerking van eiseres aan re-integratie. Gezien de tegenstrijdige standpunten is niet met voldoende zekerheid vast te stellen of de loondoorbetalingsvordering kans van slagen heeft. Daarom wordt de voorlopige voorziening geweigerd en worden de nevenvorderingen afgewezen. Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.