Werknemer is sinds april 2015 ziek en per 25 april 2017 voor 50% arbeidsongeschikt verklaard, waarna zijn arbeidsovereenkomst met 50% werd aangepast. De werkgever stuurde een brief waarin deze aanpassing werd bevestigd, maar de werknemer tekende deze niet retour uit vrees zijn recht op volledige transitievergoeding te verliezen.
De werknemer verzocht in oktober 2018 om betaling van een gedeeltelijke transitievergoeding op grond van de Kolom-beschikking van de Hoge Raad, die stelt dat bij gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst recht bestaat op een pro rata transitievergoeding. De werkgever beriep zich op de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 sub b BW, die drie maanden na beëindiging van de arbeidsovereenkomst geldt.
De kantonrechter oordeelde dat er wel degelijk sprake was van een gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst, omdat partijen feitelijk uitvoering hadden gegeven aan de aanpassing. Hoewel de vervaltermijn formeel was overschreden, was het niet redelijk en billijk om deze vervaltermijn tegen de werknemer te gebruiken, mede vanwege het langdurige dienstverband, de leeftijd van de werknemer, het ontbreken van een herinneringsfunctie door de werkgever en de toekomstige compensatie van de werkgever via de Wet Compensatie Transitievergoeding.
De kantonrechter kende daarom een gedeeltelijke transitievergoeding toe van € 38.500 bruto, zijnde 50% van het wettelijk maximum op het moment van beëindiging, met wettelijke rente vanaf oktober 2018. De werkgever werd veroordeeld in de proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.