Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- het exploot van dagvaarding d.d. 28 december 2018
- de mondelinge behandeling ter zitting, waar beide partijen de respectieve standpunten nader hebben toegelicht, mr Poublon aan de hand van een pleitnota.
Rechtbank Limburg
Eiser was sinds 1 januari 2004 in dienst bij de rechtsvoorganger van Lumière en werkte als 1e medewerker bediening. Na het stoppen van de activiteiten van Stichting Filmtheater Lumière in september 2016, stapte eiser over naar Stichting Lumière Bassin met een nieuwe arbeidsovereenkomst. Lumière bood een functiewijziging aan met een lagere beloning, welke eiser niet accepteerde, maar Lumière voerde de loonverlaging per 1 november 2017 toch door.
Eiser vorderde betaling van het achterstallig loon vanaf 1 november 2017 tot januari 2019, inclusief vakantietoeslag en wettelijke rente, alsmede het loon vanaf januari 2019 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zou eindigen. De kantonrechter oordeelde dat voor het treffen van een voorziening in kort geding een redelijke mate van zekerheid moet bestaan dat de bodemrechter de vordering zal toewijzen en dat er sprake moet zijn van spoedeisend belang.
De kantonrechter stelde vast dat loonvorderingen doorgaans spoedeisend zijn, maar hier ging het om een loonverlaging die al veertien maanden geleden was doorgevoerd. Eiser had onvoldoende onderbouwd dat hij een spoedeisend belang had. Daarnaast was nader feitenonderzoek nodig om te beoordelen of de loonverlaging rechtmatig was, waardoor de kans op toewijzing in een bodemprocedure onzeker was.
Daarom wees de kantonrechter de vordering af en veroordeelde eiser tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Lumière. Het vonnis werd in het openbaar uitgesproken door mr. P. Hoekstra.
Uitkomst: De loonvordering wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en onzekerheid over de uitkomst van een bodemprocedure.