ECLI:NL:RBLIM:2019:218

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
14 januari 2019
Publicatiedatum
14 januari 2019
Zaaknummer
258250 KG ZA 18-672
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot afgifte paard en veulens wegens ontbreken feitelijk bezit

Eiseres is sinds 2010 eigenaresse van het paard en had het paard gestald bij een derde partij. Na een geschil is het paard in 2014 afgegeven aan de levenspartner van gedaagde, waarna het paard en drie veulens kennelijk enige tijd bij gedaagde zijn gestald.

Eiseres vordert in kort geding de afgifte van het paard en de veulens van gedaagde, met dwangsommen bij niet-naleving. Gedaagde voert verweer en stelt dat het paard en de veulens inmiddels zijn verkocht aan een derde partij.

De rechtbank oordeelt dat het niet is komen vast te staan dat gedaagde het bezit of houderschap over het paard en de veulens heeft. Zonder feitelijk bezit kan gedaagde niet worden veroordeeld tot afgifte. Daarom worden de vorderingen afgewezen en wordt eiseres veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen tot afgifte van het paard en de veulens worden afgewezen wegens ontbreken van feitelijk bezit door gedaagde.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond
zaaknummer / rolnummer: C/03/258250 / KG ZA 18-672
Vonnis in kort geding van 14 januari 2019 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eisende partij],
wonende te [woonplaats eisende partij] ,
eiseres,
advocaat mr. C.A.M.H. Vink te 's-Hertogenbosch,
tegen
[gedaagde partij],
wonende te [woonplaats gedaagde partij] ,
gedaagde,
advocaat mr. J.P. Folkertsma te Maastricht.
Partijen zullen hierna [eisende partij] en [gedaagde partij] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met producties
  • de producties van [gedaagde partij]
  • de mondelinge behandeling
  • de spreekaantekeningen van [eisende partij]
  • de pleitnota van [gedaagde partij] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisende partij] is vanaf 2010 eigenaresse (geweest) van het paard [naam paard 1] (verder: het paard). [eisende partij] had het paard (tezamen met andere, thans niet in geding zijnde paarden) gestald bij de stal van [X] te [naam land] . Vanwege een geschil over de verzorging van de paarden is er onenigheid ontstaan tussen [eisende partij] en [X] en heeft [eisende partij] de betaling van de stallingskosten opgeschort. Vervolgens is het paard op 3 maart 2014 afgegeven aan de heer [Y] , die de levenspartner is van [gedaagde partij] . Het paard, dat nadien 3 veulens heeft gekregen, is kennelijk enige tijd gestald (geweest) in de stal van [gedaagde partij] .
2.2.
In een procedure voor het Landgericht Aachen tussen [eisende partij] en [X] is bij uitspraak van 15 februari 2018 bepaald dat [eisende partij] eigenaresse is van het paard en dat [X] dit aan haar dient af te geven, bij gebreke waarvan [X] aan [gedaagde partij] een bedrag van € 5.000,- verschuldigd is.
2.3.
[eisende partij] heeft [gedaagde partij] verzocht het paard en de drie veulens (als afgescheiden vruchten van het paard) aan haar af te geven. [gedaagde partij] heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde partij] te veroordelen tot afgifte van het paard [naam paard 1] inclusief bijbehorende papieren, te weten het paspoort en de stamboekpapieren;
II. [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500,00 per dag indien zij in gebreke blijft te voldoen aan het in punt I van het petitum genoemde binnen twee weken na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis, met een maximum van € 10.000,00 dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom;
III. [gedaagde partij] te veroordelen tot afgifte van de paarden [naam paard 2] , [naam paard 3] en [naam paard 4] inclusief bijbehorende papieren, te weten het paspoort en de stamboekpapieren van ieder paard;
IV. [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 1.000,00 per dag indien zij in gebreke blijft te voldoen aan het in punt III van het petitum genoemde binnen twee weken na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis, met een maximum van € 30.000,00 dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom;
V. [gedaagde partij] te veroordelen in de kosten van het onderhavige geding, waaronder begrepen het salaris van de raadsman van [eisende partij] , te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis.
3.2.
[gedaagde partij] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[eisende partij] heeft haar vorderingen gebaseerd op een door haar gesteld eigendomsrecht en de inbreuk daarop. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het gevorderde gelet daarop uit de aard der zaak spoedeisend.
4.2.
Aan de orde is de vraag of [gedaagde partij] gehouden is het paard en haar veulens aan [eisende partij] af te geven. Daartoe zal allereerst de vraag dienen te worden beantwoord of [eisende partij] als eigenaresse van het paard heeft te gelden. Deze vraag is voor [eisende partij] in haar verhouding tot [X] weliswaar in bevestigende zin beantwoord, maar onduidelijk is of zij de daaraan verbonden rechten ook kan tegenwerpen aan de heer [Z] , die het paard en de 3 veulens kennelijk op 1 augustus 2018 van [Y] heeft gekocht. Nog afgezien van deze problematiek is voor toewijzing van de vorderingen noodzakelijk dat met een voldoende mate van zekerheid moet komen vast te staan dat [gedaagde partij] het paard en de veulens onder zich heeft. Slechts dan is zij in staat om aan de veroordeling te voldoen.
4.3.
[eisende partij] heeft gesteld dat zulks het geval is: volgens haar zijn het paard en de veulens in bezit van, althans worden ze gehouden door, [gedaagde partij] . Die stelling is door [gedaagde partij] echter gemotiveerd weersproken: [gedaagde partij] heeft voldoende onderbouwd met stukken aangevoerd dat het paard in het verleden weliswaar bij haar gestald was, maar dat zulks thans niet meer het geval is. Dit blijkt niet alleen uit het kostenoverzicht van [Y] van 29-06-2016 (pacht apart perceel) maar ook uit de verkoopfactuur van het paard en de 3 veulens aan [Z] op 1 augustus 2018. [eisende partij] heeft dit verweer niet (voldoende gemotiveerd) weerlegd: zij heeft geen dan wel onvoldoende onderbouwde feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit afgeleid kan worden dat [gedaagde partij] thans bezitter dan wel houder is van het paard en de veulens en/of dat deze dieren zich thans daadwerkelijk nog bij [gedaagde partij] bevinden.
4.4.
Nu aldus niet vast staat, laat staan aannemelijk is geworden, dat [gedaagde partij] het houderschap dan wel het bezit van en daarmee de feitelijke macht heeft over het paard en de veulens, behoort een veroordeling van [gedaagde partij] tot afgifte van paard en veulens op straffe van een dwangsom reeds op die grond niet tot de mogelijkheden. Daarmee komt in dit kort geding ook het belang te ontvallen aan de beantwoording van de vraag wie eigenaar is van het paard en de veulens. De vorderingen van [eisende partij] moeten worden afgewezen.
4.5.
[eisende partij] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde partij] worden begroot op:
- griffierecht € 297,00
- salaris advocaat
816,00
Totaal € 1.113,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde partij] tot op heden begroot op € 1.113,00,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.P. Drijkoningen en in het openbaar uitgesproken op
14 januari 2019. [1]

Voetnoten

1.type: MvA