Eiseres is sinds 2010 eigenaresse van het paard en had het paard gestald bij een derde partij. Na een geschil is het paard in 2014 afgegeven aan de levenspartner van gedaagde, waarna het paard en drie veulens kennelijk enige tijd bij gedaagde zijn gestald.
Eiseres vordert in kort geding de afgifte van het paard en de veulens van gedaagde, met dwangsommen bij niet-naleving. Gedaagde voert verweer en stelt dat het paard en de veulens inmiddels zijn verkocht aan een derde partij.
De rechtbank oordeelt dat het niet is komen vast te staan dat gedaagde het bezit of houderschap over het paard en de veulens heeft. Zonder feitelijk bezit kan gedaagde niet worden veroordeeld tot afgifte. Daarom worden de vorderingen afgewezen en wordt eiseres veroordeeld in de proceskosten.