Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
€ 480,00
Rechtbank Limburg
De werknemer trad in 2015 in dienst bij HSPRO Consultancy B.V. en werkte als vestigingsmanager. In zijn arbeidsovereenkomst was een non-relatiebeding opgenomen dat hem verbood gedurende één jaar na ontslag werkzaamheden te verrichten bij opdrachtgevers van HSPRO. Na beëindiging van het dienstverband wegens bedrijfseconomische redenen in oktober 2019, vorderde de werknemer in kort geding de schorsing van dit beding of subsidiair een inkomensaanvulling.
De kantonrechter oordeelde dat het beding onbillijk zwaar op de werknemer drukt, mede vanwege zijn leeftijd (bijna 60 jaar), branchegebondenheid en het feit dat hij door het beding geen gebruik kan maken van zijn netwerk om ander werk te vinden. HSPRO kon onvoldoende aantonen waarom het beding noodzakelijk is voor haar belangen.
Daarom werd de werking van het non-relatiebeding geschorst en werd HSPRO veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.
Uitkomst: De werking van het non-relatiebeding wordt geschorst wegens onbillijke benadeling van de werknemer.