Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.[gedaagde sub 1] ,
2.[gedaagde sub 2] ,
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
€ 480,00
Rechtbank Limburg
Op 25 oktober 2018 zijn huurovereenkomsten gesloten voor een woning en een garage aan hetzelfde adres, respectievelijk met [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]. Ondanks een verklaring van 9 augustus 2019 waarin werd afgesproken dat bij niet-betaling voor 15 augustus de huurovereenkomst zou eindigen, bleef sprake van huurachterstanden.
De vordering in kort geding betreft ontruiming van de woning en garage en betaling van achterstallige huurpenningen. De kantonrechter oordeelt dat de betalingsachterstanden, die al direct na het aangaan van de huurovereenkomst ontstonden en meer dan een jaar hebben voortgeduurd, voldoende zijn voor ontbinding van de huurovereenkomst, ook al bedroeg de achterstand minder dan drie maanden.
De kantonrechter wijst de vorderingen toe, veroordeelt de huurders tot betaling van de achterstallige huur, wettelijke rente en incassokosten, en legt een ontruimingstermijn van twee maanden op voor de woning en één week voor de garage. De verklaring van 9 augustus 2019 leidt tot beëindiging van de huurovereenkomst voor de garage, maar niet voor de woning.
Uitkomst: Vordering tot ontruiming woning en garage en betaling achterstallige huurpenningen wordt toegewezen met respectievelijke termijnen van twee maanden en één week.