Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Het onderzoek van de zaak
2.De beoordeling
- de veroordeelde in de gevangenis in het Verenigd Koninkrijk kennelijk al cursussen voor zedendelinquenten heeft gevolgd;
- de veroordeelde bang is dat men, naar aanleiding van een eventuele behandeling bij FPP de Horst, besluit dat hij klinisch behandeld zou moeten worden;
- het wellicht mogelijk is dat de reclassering voldoende inzicht krijgt in de persoon van de veroordeelde als hij zich meer openstelt in de gesprekken met de reclassering, hetgeen ertoe zou kunnen leiden dat een behandeling bij FPP de Horst niet nodig is.
- De veroordeelde dient gedurende de proeftijd medewerking te verlenen aan diagnostiek en dient zich, indien geïndiceerd, onder behandeling te stellen van Forensische Zorg Zeeland Emergis, althans van een soortgelijke deskundige of zorginstelling, op tijden en plaatsen als door of namens die deskundige/zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn problematiek. De veroordeelde dient zich te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de behandelaar worden gegeven.
- De veroordeelde dient een open, gemotiveerde en meewerkende houding te tonen met betrekking tot het toezicht en de behandeling.
3.De beslissing
- wijst de vordering van het openbaar ministerie toe;
- gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog gedeeltelijk, te weten voor de duur van 120 dagen, moet worden ondergaan.