Uitspraak
[vergunninghouder], te Weert
.
8.Het beroep is ongegrond.
9.Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2018.
Rechtbank Limburg
De zaak betreft een beroep van eiser tegen een omgevingsvergunning verleend aan een vergunninghouder voor de bouw van een geitenstal en werkruimte op een perceel in Weert. De vergunningverlening vond plaats ondanks strijdigheid met het bestemmingsplan vanwege een toename van de vloeroppervlakte van dierenverblijven.
De rechtbank stelt vast dat eiser belanghebbende is, gelet op de nabijheid van zijn woning en de mogelijke geurhinder. De kern van het geschil betreft de kwalificatie van de geitenhouderij als intensief veehouderijbedrijf en de gevolgen daarvan voor de vergunningverlening en het woon- en leefklimaat.
De rechtbank volgt verweerder in de uitleg van het bestemmingsplan dat geitenhouderijen niet als intensief veehouderijbedrijf worden aangemerkt. Tevens is vastgesteld dat vergunninghouder voldoet aan de voorwaarden voor een grondgebonden bedrijf en dat de uitbreiding niet leidt tot significante gezondheidsrisico’s, mede gelet op het RIVM-rapport en de getroffen hygiënemaatregelen.
Het beroep op gezondheidsrisico’s, waaronder Q-koorts, wordt verworpen omdat deze risico’s niet zodanig zijn dat de vergunning geweigerd moet worden. De rechtbank oordeelt dat verweerder de belangen zorgvuldig heeft afgewogen en de vergunning terecht heeft verleend met toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in het bestemmingsplan.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor de uitbreiding van de geitenstal wordt ongegrond verklaard.