Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
VGZ VOOR DE ZORG N.V., voorheen optredend onder de naam
IZZ ZORGVERZEKERAAR N.V., BETREFFENDE IZZ
1.De procedure
2.Het geschil
de vordering van VGZ
voorbeelden’) zouden moeten aantonen dat en hoe [gedaagde] vervolgens op de wijze die art. 6:96 lid 6 BW Pro voorschrijft, gelegenheid geboden is om zonder verhoging met een post invorderingskosten (alsnog) aan haar verplichtingen te voldoen. VGZ becijfert de na het uitblijven van de verlangde betaling(en) volgens haar verschuldigd geworden vergoeding van incassokosten op € 48,40 inclusief ‘BTW’ (btw). Opgeteld bij de andere bedragen komt dit er volgens VGZ op neer dat [gedaagde] in totaal - op enig niet nader verklaard moment - een schuld van € 1 100,31 aan VGZ gehad heeft. Omdat echter melding gemaakt is van een betaald bedrag van € 360,00 (zonder opgave van het betaalmoment of de betaalmomenten) was ten tijde van dagvaarding sprake van een te vorderen bedrag van in totaal € 740,31 (hetgeen de beperking van de vordering tot een bedrag van € 500,00 nog iets minder begrijpelijk maakt dan deze op zich al was). [gedaagde] is volgens VGZ buiten rechte ‘in der minne niet bereid gebleken tot voldoening aan de verplichtingen’, zodat zij zich gelegitimeerd acht tot gerechtelijke invordering.
het verweer van [gedaagde]
3.De beoordeling
de inhoudvan voor [gedaagde] bedoelde declaratiebrieven tot verhaal van ziektekosten uit 2015 en 2016 die (al dan niet als ‘eigen risico’) voor rekening van de verzekerde zelf dienden te komen, in deze gerechtelijke procedure als zodanig niet betwist is. [gedaagde] is in het geheel niet ingegaan op prod.3 bij repliek waarin een summier overzicht gegeven wordt van de medische kostenposten voor de bewuste twee kalenderjaren die niet door de verzekeraar vergoed worden en om verschillende redenen voor rekening van de verzekerde blijven. Zij bestrijdt ook niet dat het hier om gevallen / gevalletjes van eigen risico, eigen bijdrage of geheel buiten de verzekeringsdekking vallende medische (be)handelingen gaat, noch dat de bedragen onjuist zijn. Haar betalingsverplichting tot een bedrag van € 675,50 (repliek) of zelfs € 1 035,50 (exploot van dagvaarding) als zodanig staat dus vast. Daarom is slechts aan de orde of er - geheel of gedeeltelijk - betaald is en - voor zover dit niet het geval is - of VGZ dan terecht aanspraak maakt op in de stukken genoemde wettelijke rente en incassokosten.
twee andereniet voor vergoeding door VGZ in aanmerking komende rekeningen uit 2015. Voor het overige zijn de afdrachten van Zuyderland opgegaan aan de bestrijding van kosten van incasso en tenuitvoerlegging. Kosten die wellicht ook toen bij zorgvuldiger, coulanter en gerichter optreden van VGZ vermeden, althans voor een belangrijk deel beperkt hadden kunnen worden. [gedaagde] zal dus niet kunnen ontkomen aan betaling van het bedrag van € 675,50 dat zij nog aan VGZ schuldig is. Omdat VGZ ‘om haar moverende redenen’ (met als effect dat de zaak wederom ingewikkelder werd) in deze zaak slechts € 500,00 vordert, zal de veroordeling tot betaling daartoe beperkt blijven. Maar wel met de uitdrukkelijke kanttekening dat [gedaagde] tot de datum van dit vonnis geen rente en incassokosten verschuldigd is en daarom, voor wat de te vergoeden kosten van aan de orde gestelde medische handelingen in 2015 / 2016 betreft, naast die toe wijzen hoofdsom niet meer dan € 175,50 extra aan VGZ hoeft te betalen. Over het bedrag van € 500,00 waartoe VGZ haar vordering beperkt heeft, zal wel wettelijke rente toegewezen worden met ingang van de dag na dagtekening van dit vonnis.