Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.[gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] ,
[gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2],
1.De procedure
- de dagvaarding met producties
- de akte houdende eiswijziging tevens akte overlegging producties van Hornbach
- de brief van 30 maart 2018 van Hornbach met aanvullende producties en een
- de brief van 3 april 2018 van Hornbach met producties
- de mondelinge behandeling ter zitting van 3 april 2018
- de pleitnotities van Hornbach
- de pleitnotities van gedaagden
- de pleitnotities van Hornbach in reconventie.
2.De feiten
in conventie en in reconventie
Arbeitsgericht Ludwigshafen Am Rhein(Aktenzeichnen: 3 CA 1108/16) Hornbach is veroordeeld om aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] te betalen een bedrag van € 570.000,00 (bruto).
Landesarbeitsgericht Rheinland-Pfalz (de deelstaatrechtbank voor arbeidszaken van Rheinland-Pfalz), Aktenzeichen: 5 Sa 324/17, is [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] (kort gezegd) veroordeeld om aan Hornbach te betalen € 570.836,84 in hoofdsom, te vermeerderen met rente en kosten. Het kop-staart-vonnis vermeldt onder 4 dat tegen het vonnis geen beroep in cassatie wordt toegelaten.
3.Het geschil
4.De beoordeling
in conventie
moetworden nagekomen, ook gelet op de Unietrouw, uit hoofde waarvan de buitenlandse (in dit geval Nederlandse) rechter zich moet onthouden van elke formele of materiële beoordeling. Het alternatief is een bodemprocedure over een bodemprocedure. Er wordt een voorziening gevorderd, waartoe een kortgedingprocedure zich bij uitstek voor leent.
controlevan de (potentiële) vermogensbestanddelen, terwijl Hornbach al executoriaal beslag heeft gelegd op de aandelen van [naam BV] B.V., alle bankrekeningen van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] en alles van hetgeen [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] te vorderen heeft van [naam BV] B.V. en/of MyCars B.V. Er zijn geen regels in het Nederlandse recht noch in het unierecht die voorschrijven dat een Nederlandse procedure ex art. 475g Rv ‘zo spoedig mogelijk’ moet worden afgerond. Gesteld noch gebleken is dat een bodemprocedure ex art. 475g Rv in dat kader in Nederland zo lang zou duren dat daarmee een executie niet binnen een redelijke termijn zou geschieden. De enkele stelling dat Hornbach alle kosten moet voorschieten, hetgeen Hornbach noopt tot efficiënt procederen, is onvoldoende om een spoedeisend belang bij dit deel van de vordering van Hornbach aan te nemen.