ECLI:NL:RBLIM:2018:2124

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
6 maart 2018
Publicatiedatum
6 maart 2018
Zaaknummer
04/800160-10 (vordering tot achterwege blijven voorwaardelijke invrijheidstelling)
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 SrArt. 15d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot achterwege laten voorwaardelijke invrijheidstelling wegens ernstig geweldsincident

De rechtbank Limburg behandelde op 20 februari 2018 de vordering van het openbaar ministerie om de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde achterwege te laten. De veroordeelde was eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaar en 6 maanden en zou na het uitzitten van tweederde van zijn straf in vrijheid worden gesteld. De officier van justitie baseerde haar vordering op artikel 15d van het Wetboek van Strafrecht vanwege een ernstig geweldsincident in de gevangenis.

Het incident betrof een agressieve aanval van de veroordeelde samen met een medegedetineerde op medewerkers van de PI, waarbij ernstig lichamelijk letsel werd toegebracht, waaronder een hersenschudding en mogelijk een gebroken neus. De veroordeelde kreeg hiervoor een strafcel van 14 dagen opgelegd. Tijdens de zitting erkende hij een aandeel in het incident.

De verdediging voerde aan dat de enkele melding van het incident onvoldoende was voor het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling, maar dit werd door de rechtbank verworpen. Gezien eerdere ernstige geweldsincidenten en het uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling met 700 dagen, oordeelde de rechtbank dat de voorwaardelijke invrijheidstelling terecht achterwege blijft.

De rechtbank besloot de vordering van het openbaar ministerie toe te wijzen en de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de resterende 242 dagen niet toe te staan.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering toe en laat de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde achterwege voor de resterende 242 dagen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer : 04/800160-10 (vordering tot achterwege blijven voorwaardelijke
invrijheidstelling)
V.i.-zaaknummer : 99-000155-28
Datum uitspraak : 6 maart 2018
Tegenspraak
Beslissing van de meervoudige kamer op een vordering van het openbaar ministerie in het arrondissement Limburg
De vordering houdt in dat de rechtbank beslist dat de voorwaardelijke invrijheidstelling van
[veroordeelde] ,
geboren te [geboortegegevens veroordeelde] ,
thans verblijvende in P.I. Rijnmond, De Schie, te Rotterdam,
hierna te noemen: de veroordeelde,
achterwege blijft.
De veroordeelde wordt bijgestaan door mr. J.W. de Bruin, advocaat, kantoorhoudende te Boxtel (loco mr. J.W.G.M. Kral).

1.Het onderzoek van de zaak

De rechtbank heeft de vordering behandeld tijdens de openbare terechtzitting van 20 februari 2018. De rechtbank heeft gehoord de officier van justitie, de veroordeelde en zijn raadsman.

2.De beoordeling

2.1
Het standpunt van de officier van justitie
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering gehandhaafd.
2.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht de vordering af te wijzen, omdat de enkele melding dat er een incident is geweest waarbij geweld is gebruikt en waarbij overigens meerdere medegedetineerden betrokken zijn geweest, onvoldoende is.
De verdediging heeft subsidiair verzocht om de vordering niet geheel toe te wijzen.
2.3
Het oordeel van de rechtbank
De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Het openbaar ministerie is ontvankelijk in zijn vordering, nu deze tijdig is ingediend en de rechtbank niet is gebleken dat zich een omstandigheid voordoet die aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de weg zou staan.
De inhoudelijke beoordeling
De veroordeelde is bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch d.d. 6 april 2012 veroordeeld tot, voor zover relevant, een gevangenisstraf voor de duur van
7 jaar en 6 maanden.
Op grond van artikel 15, lid 2 van het Wetboek van Strafrecht zou de veroordeelde in vrijheid gesteld moeten worden op het moment dat hij tweederde van de straf heeft ondergaan. Gelet hierop zou hij, na eerder uitstel met 700 dagen, voorlopig in vrijheid worden gesteld op 21 december 2018.
Op grond van artikel 15d, leden 1 en 2, van het Wetboek van Strafrecht kan de voorwaardelijke invrijheidstelling achterwege blijven. In deze zaak heeft de officier van justitie haar vordering tot achterwege blijven gebaseerd op artikel 15d, lid 1 onder b, van het Wetboek van Strafrecht. Op grond van deze bepaling kan de voorwaardelijke invrijheidstelling achterwege blijven, indien sprake is van een ernstige misdraging van de veroordeelde (sub 1) of gedrag dat tijdens de tenuitvoerlegging van de straf meermalen heeft geleid tot het opleggen van een disciplinaire straf (sub 2).
Uit het Formulier melding bijzonder voorval van P.I. Vught Beheersproblematische Afdeling (BPG) d.d. 29 november 2017 blijkt dat de veroordeelde agressie heeft getoond tegen het personeel van de P.I. met ernstig lichamelijk letsel tot gevolg. Hij heeft excessief fysiek geweld toegepast door samen met een medegedetineerde een van de medewerkers van achteren aan te vallen, met de vuisten op het hoofd te slaan en naar de benen te schoppen om hem naar de grond te werken. Toen deze medewerker op de grond lag, bleef de veroordeelde hem slaan en schoppen, ook gericht tegen het hoofd. Op het moment dat een andere medewerker op de veroordeelde af kwam, richtte hij zijn agressie op haar en heeft meerdere malen met zijn vuisten tegen haar hoofd geslagen. Bij een medewerker is een hersenschudding en mogelijk een gebroken neus geconstateerd. Aan de veroordeelde is 14 dagen strafcel opgelegd.
De veroordeelde heeft ter zitting verklaard dat hij zich van dit voorval niet veel meer kan herinneren maar dat hij wel nog weet dat hij een aandeel in dit incident heeft gehad.
De rechtbank overweegt dat de veroordeelde een gewaarschuwd mens was, nu eerder zijn voorwaardelijke invrijheidstelling met 700 dagen is uitgesteld, als gevolg van meerdere ernstige geweldsincidenten.
De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat de voorwaardelijke invrijheidstelling achterwege moet blijven en zal de vordering van de officier van justitie toewijzen.

3.De beslissing

De rechtbank:
  • wijst de vordering van het openbaar ministerie toe;
  • beslist dat de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde achterwege wordt gelaten voor de nog resterende periode van 242 dagen.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.H.J.M. Mertens-Steeghs, voorzitter,
mr. M.J.M. Goessen en mr. V.P. van Deventer, rechters, in tegenwoordigheid van
mr. F.A.E. van de Venne, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 6 maart 2018.