ECLI:NL:RBLIM:2018:1868

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
28 februari 2018
Publicatiedatum
27 februari 2018
Zaaknummer
C/03/239701 / HA ZA 17-448
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 lid 1 Invorderingswet 1990Art. 19 Invorderingswet 1990
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen executoriale verkoop polshorloge wegens belastingaanslag afgewezen

Eiser kwam in verzet tegen de executoriale verkoop van een polshorloge door de Ontvanger der Rijksbelastingen vanwege een openstaande voorlopige aanslag inkomstenbelasting over 2016 van €20.709,-. De Ontvanger had het horloge in beslag genomen en aangekondigd dit te verkopen.

De rechtbank stelde vast dat de aanslag onherroepelijk was en dat eiser geen concrete feiten had aangevoerd waaruit bleek dat de verkoop van het horloge buitenproportioneel zou zijn in verhouding tot de aanslag. Eiser verscheen niet op de comparitie en liet daarmee de stellingen van de Ontvanger onbeantwoord.

Op grond hiervan verklaarde de rechtbank het verzet ongegrond, wees alle verzoeken van eiser af en veroordeelde hem in de proceskosten van €1.522,-. De uitspraak werd door rechter J.R. Sijmonsma in het openbaar gewezen.

Uitkomst: Het verzet tegen de executoriale verkoop van het polshorloge wordt ongegrond verklaard en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer: C/03/239701 / HA ZA 17-448
Vonnis van 28 februari 2018
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. M.C.J. Schoenmakers,
tegen:
De Ontvanger der Rijksbelastingen te Maastricht,
kantoorhoudende te Maastricht,
gedaagden,
advocaat mr. J.A.M. Koek.
Eiser zal hierna [eiser] genoemd worden. Gedaagde zal hierna de Ontvanger worden genoemd.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met een productie;
  • de conclusie van antwoord met producties;
  • het proces-verbaal van comparitie gehouden op 2 februari 2018.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1
De rechtbank gaat uit van de volgende vaststaande feiten.
a. De Ontvanger heeft [eiser] voor zover thans nog relevant bij aanslagnummer [aanslagnummer] (hierna “de aanslag”) aangeslagen voor € 20.709,- ter zake inkomstenbelasting over het jaar 2016. Het betreft een voorlopige aanslag. De aanslag is per brief d.d. 11 augustus 2016 aan [eiser] kenbaar gemaakt en op 12 augustus 2016 aan [eiser] betekend.
b. De Ontvanger heeft ten laste van [eiser] op grond van de aanslag executoriaal beslag gelegd op, voor zover hier relevant, een polshorloge, merk Breitling (hierna het horloge). De Ontvanger heeft aangekondigd het horloge executoriaal te willen verkopen op 29 juni 2017.

3.De vordering

3.1.
[eiser] is bij het onderhavige verzetschrift in verzet gekomen tegen het dwangbevel van de Ontvanger en de tenuitvoerlegging daarvan op grond van art. 17 lid 1 Invorderingswet Pro 1990. Hij verzoekt de rechtbank om:
1. het bij het onderhavige verzetschrift gedane verzet gegrond te verklaren;
2. het bevel buiten effect te stellen;
3. het beslag per ommegaande op te heffen c.q. als zekerheid te laten gelden;
4. de Ontvanger te veroordelen in de kosten van het verzet.
3.2.
De Ontvanger voert verweer.

4.De beoordeling

4.1
Het verzet van [eiser] heeft betrekking op vier aanslagen. In zijn conclusie van antwoord heeft de Ontvanger daarop aangevoerd dat hij het horloge alleen nog executoriaal wil verkopen op grond van de aanslag. De Ontvanger heeft daarbij teven aangevoerd dat de aanslag al geruime tijd vaststaat en formele rechtskracht heeft (nr. 3.9). Uit de verzetdagvaarding van [eiser] blijkt niet dat dit alles onjuist zou zijn. Op de door de rechtbank gelaste comparitie na antwoord is [eiser] niet verschenen. In zijn faxbrief d.d. 1 februari 2018 aan de rechtbank waarin hij heeft meegedeeld niet ter comparitie te verschijnen, heeft hij niet meer vermeld dan dat hij en zijn raadsman niet aanwezig zullen zijn “om hen moverende redenen”. Daarmee heeft hij onweersproken gelaten dat de aanslag die de Ontvanger ten grondslag heeft gelegd aan de aangekondigde executoriale verkoop, onherroepelijk is. Voldoende concrete feiten dat de verkoop van het horloge buitenproportioneel is bezien in relatie tot de hoogte van de aanslag, heeft [eiser] niet aangevoerd. Dit alles leidt tot de conclusie dat het verzet van [eiser] , en daarmee zijn verzoek, ongegrond moet worden verklaard.
4.2
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, die worden begroot op € 618 aan griffierecht en € 904 (2 punten x tarief II) voor salaris advocaat.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verklaart het verzet ongegrond en, voor zover nodig, wijst alle verzoeken van [eiser] af;
5.2
veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, voor zover gerezen aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 1.522,-;
5.3
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken.