ECLI:NL:RBLIM:2018:1653

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
20 februari 2018
Publicatiedatum
20 februari 2018
Zaaknummer
6214858 BR VERZ 17-202
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:210 BWArt. 4:218 lid 1 BWArt. 4:221 lid 2 BWWet Tarieven Burgerlijke Zaken
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot ontheffing neerlegging uitdelingslijst en proceskostenveroordeling vereffenaar nalatenschap

De vereffenaar van een nalatenschap met nagenoeg nihil activa verzocht om ontheffing van de verplichting tot het neerleggen van een uitdelingslijst of om verlenging van de termijn daarvoor. De nalatenschap kende een actief dat vrijwel geheel was opgebruikt door executie van de hypotheekhouder, terwijl de passiva ruim €78.000 bedroegen.

De kantonrechter oordeelde dat het verzoek begrijpelijk was, maar niet op de wet was gebaseerd. De wettelijke verplichting tot neerlegging van een uitdelingslijst blijft gelden, ook bij nagenoeg nihil activa. Vrijstelling op grond van artikel 4:221 lid 2 BW Pro was eveneens niet van toepassing.

Gezien het lange tijdsverloop sinds het openvallen van de nalatenschap en de reeds verstrekte termijnen, zag de rechter geen reden voor verdere termijnverlenging. De vereffenaar kreeg een aanwijzing om alsnog binnen de wettelijke termijn de uitdelingslijst neer te leggen en een afschrift van de publicatie in de digitale Staatscourant te overleggen.

Tot slot werd de vereffenaar veroordeeld tot betaling van de proceskosten ad €119,00 wegens het nodeloos doen van het verzoek. Er vond geen mondelinge behandeling plaats om proces-economische redenen.

Uitkomst: Het verzoek tot ontheffing van de verplichting tot neerlegging van de uitdelingslijst wordt afgewezen en de vereffenaar wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht / Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer 6214858 BR VERZ 17-202
Beschikking van 20 februari 2018
op een verzoek van
[verzoeker] ,
kantoor houdend te [vestigingsplaats] , [adres] ,
verzoeker, in zijn hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van [erflater] .

1.Verloop van de procedure

1.1.
Op 24 januari 2018 is een verzoekschrift met een bijlage ontvangen.
1.2.
Vervolgens is beschikking bepaald op heden.

2.De motivering

2.1.
Uit het verzoekschrift en de bijlagen blijkt het volgende.
2.2.
Bij beschikking van 7 juli 2016 is onder meer verzoeker door de Rechtbank Limburg benoemd tot vereffenaar in de nalatenschap van [erflater] (verder te noemen: de erflater) overleden te [overlijdensplaats] op [overlijdensdatum] , laatstelijk wonend te [woonplaats] .
2.3.
Bij beschikking van de kantonrechter van 7 augustus 2017 is bepaald dat verzoeker, in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van de erflater, de rekening en verantwoording en de uitdelingslijst uiterlijk 10 november 2017 ter inzage ter griffie van deze rechtbank diende te leggen.
2.4.
Verzoeker stelt dat de activa in deze nalatenschap in hoofdzaak bestaan uit de waarde van de tot de nalatenschap behorende onroerende zaak. Na het uitoefenen van het recht op parate executie door de hypotheekhouder resteren aan activa, naar de kantonrechter begrijpt, nihil en aan passiva ruim € 78.000,00. Aangezien er geen baten meer in deze nalatenschap zijn verwacht verzoeker niet dat hij zal toekomen aan het deponeren van een uitdelingslijst in deze nalatenschap. Verzoeker vraagt thans om hem van de voormelde verplichting te ontheffen althans de termijn ex art. 4:218 lid 1 BW Pro nogmaals met drie maanden te verlengen zodat hij en zijn mede benoemde vereffenaars, voor 1 mei 2018 een verzoek tot opheffing van de vereffening van deze nalatenschap kunnen indienen.
2.5.
Het verzoek zal worden afgewezen. Het voornemen van verzoeker om middels een ontheffing van de verplichting tot het neerleggen van een uitdelingslijst
ofmiddels verlening van de termijn als bedoeld in art. 4:218 lid 1 BW Pro een verzoek tot opheffing van de vereffening in te kunnen dienen is weliswaar begrijpelijk doch niet op de wet gebaseerd. Dat de activa in deze nalatenschap nagenoeg nihil zijn maakt dat niet anders. Vrijstelling van neerlegging van de uitdelingslijst kan overigens evenmin op de gronden als bepaald in art. 4:221 lid 2 BW Pro.
2.5.1.
Deze nalatenschap is op [overlijdensdatum] opengevallen en kent een actief van (thans) nagenoeg nihil. Verder geldt dat:
- verzoeker bij beschikking van 26 juli 2016 een termijn is verleend om de schuldeisers uit te nodigen hun vorderingen bij hem in te dienen
- die termijn afliep op 10 november 2016
- verzoeker op 10 augustus 2016 ter griffie van deze rechtbank een voorlopige boedelbeschrijving heeft aangeleverd waarvan de activa van € 110.000,00 en passiva van
€ 180.235,37 bedroegen
- bij beschikking van 7 augustus 2017 aan de vereffenaar een termijn ex artikel 4:218 lid 1 BW Pro is verleend.
2.5.2.
Met inachtneming van het lange tijdsverloop sedert het openvallen van deze (eenvoudige) nalatenschap en alle reeds bij de vereffenaar bekende gegevens en de aan hem verleende termijnen valt niet in te zien op grond waarvan de termijn als bedoeld in 4:218 lid 1 BW nogmaals dient te worden verlegd. De ten behoeve van de uitdelingslijst benodigde gegevens zijn verzoeker immers bekend.
2.5.3.
Teneinde de belangen van de schuldeisers van deze nalatenschap te bewaken dient de vereffenaar in iedere geval aan zijn wettelijke plicht tot het neerleggen van een uitdelingslijst te voldoen. De kantonrechter geeft de vereffenaar aanwijzing om dit binnen de termijn als bepaald bij art. 4:218 lid 1 BW Pro of zoveel eerder te doen en hem een afschrift van de publicatie in de digitale Staatscourant (waarvan de kosten nihil zijn) aan te leveren.
2.6.
Ingevolge het bepaalde in de Wet Tarieven Burgerlijke Zaken is voor een verzoek tot verlenging van de termijn als bedoeld in art. 4:218 lid 1 BW Pro griffierecht verschuldigd. Gelet op het nodeloos gedane verzoek zal de kantonrechter verzoeker tot betaling van de proceskosten veroordelen bestaande uit het griffierecht van € 119,00. Om proces-economische redenen heeft geen mondelinge behandeling van dit verzoek plaatsgevonden.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
wijst het verzoek af en geeft verzoeker de aanwijzing als gedaan in r.o. 2.5.3.,
3.2.
veroordeelt verzoeker in de kosten van deze procedure van € 119,00.
Deze beschikking is gegeven door mr. P. Hoekstra, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.
YT