Uitspraak
RECHTBANK limburg
uitspraak van de meervoudige kamer van 9 februari 2018 in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venray, verweerder
Jumbo Supermarkten Vastgoed B.V., te Amersfoort
Procesverloop
Overwegingen
Voor vastgoedeigenaren die in hetzelfde marktsegment en in hetzelfde verzorgingsgebied actief zijn, te weten de verhuur of verkoop van ruimte voor supermarktruimte binnen een bepaald verzorgingsgebied, geldt voorts eveneens dat zij als belanghebbende kunnen worden aangemerkt indien en voor zover niet is uitgesloten dat het bestreden besluit nadelige gevolgen heeft voor de verhuurbaarheid van hun pand(en) (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 21 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3395). Door het bestreden besluit vindt een uitbreiding plaats van het aantal vierkante meters supermarktruimte. Verweerder heeft geconcludeerd dat een (lichte) omzetdaling als gevolg van de vestiging van de Jumbo- en Lidl-supermarkten verwacht kan worden. Een omzetdaling kan van invloed zijn op de te hanteren huurprijs. Niet kan daarom worden uitgesloten dat het bouwplan de verhuurbaarheid van het pand van Ahold REC en Plus Vastgoed nadelig zal beïnvloeden. De rechtbank houdt het er daarom voor dat ook deze eiseressen door het besluit rechtstreeks in hun belangen te worden geraakt. Derhalve moeten zij worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. De conclusie is dat hun beroep ontvankelijk is.
20 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1585), samengevat weergegeven, strekt artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro tot bevordering van zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder het voorkomen van onnodig ruimtebeslag, en het voorkomen van onaanvaardbare leegstand. Concurrenten, zoals eiseressen dienen - als zij stellen dat het besluit in strijd is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro - daarbij feiten en omstandigheden aan te voeren die het oordeel rechtvaardigen dat de voorziene ontwikkeling zal kunnen leiden tot een uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening relevante leegstand. In dat geval staat het relativiteitsvereiste in artikel 8:69a van de Awb niet aan inhoudelijke beoordeling van de gestelde strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro in de weg. In het kader van die beoordeling kan aan de orde komen of het bestreden besluit zodanige leegstandseffecten tot gevolg heeft dat dit tot een uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare situatie zal kunnen leiden. Daarbij betrekt de bestuursrechter het oordeel van het betrokken bestuursorgaan over de onaanvaardbaarheid van die leegstandseffecten.
5 juli 2017).
.
Beslissing
€ 1.002,-.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2018.