ECLI:NL:RBLIM:2018:11032

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
22 november 2018
Publicatiedatum
22 november 2018
Zaaknummer
C/03/256920 / HA RK 18-279
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verschoning
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot verschoning rechter wegens schijn van partijdigheid

In deze zaak heeft een rechter van de rechtbank Limburg op grond van artikel 40 van Pro het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering een verzoek tot verschoning ingediend. Dit verzoek vloeit voort uit een incident waarbij de rechter in haar privésituatie tijdens een verbouwing werd geconfronteerd met de gedaagde partij uit een civiele procedure die zij behandelt.

De rechter motiveerde haar verzoek met het oog op het voorkomen van de schijn van partijdigheid, aangezien de gedaagde door een bedrijf was gestuurd naar haar woning. De zaak waarin de rechter betrokken is, betreft een lopende civiele procedure met een geplande vervolgvergadering.

De verschoningskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er een zwaarwegende aanwijzing bestaat voor mogelijke vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bij een rechtzoekende.

Gezien de omstandigheden acht de kamer het verzoek gegrond en wijst het toe om de schijn van partijdigheid te vermijden. De beslissing werd op 22 november 2018 in het openbaar uitgesproken door de meervoudige kamer van de rechtbank Limburg.

Uitkomst: Verzoek tot verschoning van de rechter wordt toegewezen wegens schijn van partijdigheid.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Verschoningskamer
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/256920 / HA RK 18-279
Beslissing van de meervoudige kamer, belast met de behandeling van verschoningsverzoeken
op het verzoek van
mr. K.J.H. Hoofs,
rechter in de rechtbank Limburg,
verder: de rechter,
strekkend tot haar verschoning in de civiele zaak met zaaknummer 247622/HA ZA 18-149 ( [naam partijen] ).

1.De procedure

Door middel van een e-mailbericht van 6 november 2018 aan de griffier van de verschoningskamer heeft de rechter op grond van artikel 40 van Pro het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering een verzoek gedaan strekkend tot haar verschoning in bovengenoemde zaak die de rechter behandelt.
De rechter is op 21 november 2018 door de verschoningskamer gehoord.

2.Het verzoek

Het verzoek houdt – zakelijk en voor zover relevant weergegeven – in dat de rechter op 3 november 2018 in het kader van de verbouwing van haar woning – derhalve in haar privésituatie – is geconfronteerd met de gedaagde partij in de genoemde procedure. Deze persoon was door het bedrijf dat de rechter had ingeschakeld, naar haar woning gestuurd. Op 3 september 2018 had in de zaak van deze persoon een comparitie ten overstaan van de rechter plaatsgevonden en een vervolg van de behandeling van de zaak is gepland tegen 19 februari 2019. Om de schijn van partijdigheid te voorkomen wil de rechter zich in deze zaak verschonen.

3.De beoordeling

Bij de beoordeling van een verzoek als het onderhavige dient het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid zou kunnen koesteren, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande vrees objectief gerechtvaardigd zou kunnen zijn.
De vraag is of de rechter terecht tot de conclusie is gekomen dat ten aanzien van haar in bovengenoemde zaak de schijn van partijdigheid zou kunnen worden gewekt.
Uitgaande van hetgeen de rechter aan haar verzoek tot verschoning ten grondslag heeft gelegd komt de verschoningskamer tot het oordeel dat de rechter het verzoek terecht heeft ingediend. Om de schijn van partijdigheid te vermijden zal de rechtbank het verzoek tot verschoning toewijzen.

4.De beslissing

De verschoningskamer:
  • wijst het verzoek tot verschoning toe;
  • beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan de rechter en aan partijen.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.J. Otto, voorzitter, mr. W.E. Elzinga en mr. R.P.J. Quaedackers, leden en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van
mr. M.J.W.D. Janssen op 22 november 2018. [1]

Voetnoten

1.type: