ECLI:NL:RBLIM:2018:10460
Rechtbank Limburg
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Wijziging zorgregeling en dwangsom bij niet-medewerking moeder in omgangsregeling kinderen
De rechtbank Limburg behandelde een verzoek van de vader tot wijziging van de zorgregeling voor twee minderjarige kinderen. Voor het eerste kind was reeds een begeleide omgangsregeling (BOR) vastgesteld, maar deze kon niet plaatsvinden vanwege de weigering van de moeder om mee te werken, ondanks opgelegde dwangsommen. De vader had de dwangsommen echter niet geëxecuteerd, waardoor onduidelijk bleef of de moeder hierdoor van gedachten zou veranderen. De rechtbank wees het verzoek tot wijziging van de zorgregeling voor dit kind af.
Voor het tweede kind was eveneens een BOR ingesteld, die volgens het eindverslag van de raad zonder belemmeringen kon worden uitgebreid naar onbegeleide omgang. De moeder verzette zich tegen onbegeleide omgang vanwege de verhuizing van de vader en de vermeende negatieve gevolgen voor het kind, zoals een achterstand en gezondheidsproblemen. De rechtbank vond de argumenten onvoldoende onderbouwd en oordeelde dat de omgang in de woonplaats van de vader kon plaatsvinden, waarbij de vader de zorg voor het vervoer op zich neemt.
De rechtbank wijzigde de zorgregeling voor het tweede kind, waarbij omgang plaatsvindt om de veertien dagen in het weekend, de helft van de vakanties en feestdagen, en op vaderdag. Tevens legde zij een dwangsom op aan de moeder van €250 per dag dat zij niet meewerkt, met een maximum van €10.000. De kinderbijdrage werd vastgesteld op €50 per maand per kind vanaf 1 november 2018. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden in hoger beroep worden aangevochten.
Uitkomst: De zorgregeling voor het tweede kind wordt gewijzigd met onbegeleide omgang en een dwangsom voor de moeder bij niet-medewerking; het verzoek voor het eerste kind wordt afgewezen.