Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- de dagvaarding van 17 maart 2017, met bijbehorende producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- de in briefvorm aangekondigde comparitie van partijen, gehouden op 20 juni 2017,
- de voorafgaand aan deze comparitie van partijen ter griffie ingezonden akte overlegging nadere producties zijdens eiseres,
- de akte na comparitie aan de zijde van beide partijen, telkens met nadere producties.
2.De feiten
- gedaagde kan worden aangeduid als een zorg instelling die onder de reikwijdte van de Wet normering topinkomens valt;
- eiseres heeft, samen met een collega, de raad van bestuur van gedaagde gevormd en is ingevolge arbeidsovereenkomst bij gedaagde in dienst geweest; in die overeenkomst is – in artikel 10.1 daarvan – een financiële beëindigingsregeling opgenomen, welke regeling ingevolge de overgangsregeling van artikel 7.3 van de Wet normering topinkomens gedurende 4 jaren na inwerkingtreding van deze wet (nog) niet onderworpen is aan deze wet;
- in de loop van 2016 is er een onwerkbare situatie ontstaan doordat de ondernemingsraad en – een deel van – het managementteam het vertrouwen in de raad van bestuur van gedaagde hebben opgezegd; dat heeft ertoe geleid dat eiseres, samen met haar collega, gedwongen is teruggetreden als bestuurslid, terwijl er ook een beëindigingsregeling is besproken;
- die beëindigingsregeling is op dat moment – ultimo april dan wel aanvang mei 2016 – niet gefinaliseerd, om reden van de af te wachten uitkomsten van in ieder geval een tweetal externe onderzoeken naar het functioneren van de raad van bestuur; na het beschikbaar gekomen zijn van de resultaten van deze onderzoeken zijn de besprekingen ten aanzien van deze beëindigingsregeling hervat en is, op voet van het hierboven aangeduide artikel 10.1 van de arbeidsovereenkomst tussen partijen, een algehele vaststellingsovereenkomst tussen partijen gesloten (productie 1 bij dagvaarding); in die vaststellingsovereenkomst wordt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 15 december 2016 beëindigd, terwijl daarin ook – in artikel 7 – de reeds in de arbeidsovereenkomst vermelde beëindigingsvergoeding van één jaarsalaris is opgenomen;
- eiseres heeft zich met ingang van 19 mei 2016 arbeidsongeschikt gemeld bij gedaagde; die arbeidsongeschiktheid heeft ononderbroken voortgeduurd tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst.