Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
verwerende partij in het verzoek,
Rechtbank Limburg
De Stichting Kinderopvang 't Rovertje verzocht de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met haar werknemer op grond van verschillende ontslaggronden, waaronder disfunctioneren en een verstoorde arbeidsrelatie. De werknemer was sinds 2004 of 2006 in dienst en vervulde de functie van peuterleidster. Zij was in mei 2017 op non-actief gesteld, maar werd na een kort geding in augustus 2017 weer toegelaten tot haar werkplek.
De Stichting stelde dat de werknemer niet in staat was om met collega’s samen te werken, wat leidde tot het verzoek tot ontbinding op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdelen Pro d, e, g en h BW. De werknemer betwistte dit en stelde dat er geen functioneringsgesprekken, verbetertrajecten of schriftelijke vastleggingen waren die haar disfunctioneren zouden onderbouwen.
De kantonrechter oordeelde dat de Stichting geen enkele voldragen ontslaggrond had aangetoond. Er waren geen functionerings- of beoordelingsgesprekken gevoerd, geen verbetertraject gestart en geen schriftelijke documentatie die het gestelde disfunctioneren ondersteunde. De h-grond kon niet worden gebruikt als verzamelgrond voor onvoldoende onderbouwde gronden.
Daarom wees de kantonrechter het verzoek tot ontbinding af en veroordeelde de Stichting in de proceskosten van de werknemer.
Uitkomst: Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen wegens het ontbreken van een voldragen ontslaggrond.