Uitspraak
,
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.Het verzoek
4.De beoordeling
5.De beslissing
's-Hertogenbosch
Rechtbank Limburg
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om het ouderlijk gezag over twee baby’s, geboren in 2017, te beëindigen en de Gecertificeerde Instelling tot voogd te benoemen. Subsidiair werd verzocht om ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van twaalf maanden.
De kinderen, prematuur geboren en met medische kwetsbaarheden, verblijven sinds maart 2017 vrijwillig in een pleeggezin. De Raad stelde dat de ouders vanwege persoonlijke problematiek en een verstandelijke beperking onvoldoende draagkracht hebben en de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Er is sprake van onduidelijkheid over de oorzaak van fysiek letsel bij de kinderen, en het onderzoek loopt nog.
De ouders betwistten de noodzaak van beëindiging van het gezag en verwezen naar jurisprudentie en het EVRM, stellende dat een dergelijke maatregel een ultimum remedium is en alleen in uitzonderlijke gevallen gerechtvaardigd kan zijn. De rechtbank concludeerde dat op basis van de beschikbare informatie onvoldoende duidelijk is dat de ouders niet leerbaar zijn of onvoldoende opvoedvaardigheden hebben.
De rechtbank oordeelde dat een beëindiging van het gezag op dit moment te verstrekkend is en dat een ondertoezichtstelling met machtiging tot uithuisplaatsing passend is om nader onderzoek te kunnen doen naar de opvoedmogelijkheden van de ouders en de ontwikkeling van de kinderen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en geldt voor de duur van één jaar.
Uitkomst: Verzoek tot beëindiging gezag afgewezen; ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing voor één jaar toegewezen.