ECLI:NL:RBLIM:2017:8742

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
6 september 2017
Publicatiedatum
7 september 2017
Zaaknummer
04 5674019/CV 17-765
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 111 lid 2 RvArt. 21 RvArt. 3:13 BW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling verplicht eigen risico zorgverzekering en proceskostenverdeling

De onderlinge waarborgmaatschappij Centrale Zorgverzekeraars Groep vordert betaling van het wettelijk verplicht eigen risico over 2016 van € 346,50 van gedaagde partij. Gedaagde betwist de dagvaarding en stelt dat eiser niet ontvankelijk is omdat de dagvaarding niet voldoet aan wettelijke eisen. Ook voert zij aan dat de administratie van eiser niet op orde is en dat zij en haar partner laaggeletterd zijn, waardoor zij correspondentie niet begrijpen.

De kantonrechter oordeelt dat ondanks een merkwaardige omschrijving in de dagvaarding, voor gedaagde duidelijk is waarop de vordering betrekking heeft. Er is geen bewijs dat eiser de waarheid niet heeft gesproken. De stelling dat de administratie niet klopt wordt niet onderbouwd. Gedaagde blijft verantwoordelijk voor tijdige betaling, ook als betalingen via een kredietbank lopen.

Gedaagde betwist niet dat zij in 2016 zorg heeft afgenomen waardoor het eigen risico is aangesproken. Haar betoog over medicatiegebruik en mogelijke fouten bij de apotheek gaat buiten het bestek van deze procedure. De klachtprocedure en regeling tussen partijen die na indiening van de dagvaarding is getroffen, leidt niet tot misbruik van bevoegdheid door eiser.

De kantonrechter veroordeelt gedaagde tot betaling van € 346,50 eigen risico, verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, compenseert de proceskosten zodat iedere partij haar eigen kosten draagt, en wijst het meer of anders gevorderde af.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het onbetaalde eigen risico van € 346,50 en proceskosten worden gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 5674019 \ CV EXPL 17-765
Vonnis van de kantonrechter van 6 september 2017
in de zaak van:
de onderlinge waarborgmaatschappij ONDERLINGE WAARBORGMAATSCHAPPIJ CENTRALE ZORGVERZEKERAARS GROEP, ZORGVERZEKERAAR U.A.,
gevestigd te Tilburg,
eisende partij,
gemachtigde GGN Mastering Credit N.V.,
tegen:
[gedaagde partij],
wonend [adres gedaagde partij] ,
[woonplaats gedaagde partij] ,
gedaagde partij,
gemachtigde mr. A.J.T.J. Meuwissen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding
  • de conclusie van antwoord
  • de conclusie van repliek
  • de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Gedaagde partij heeft een zorgverzekeringsovereenkomst gesloten met eisende partij. Het wettelijk verplicht eigen risico voor het jaar 2016 is tot een bedrag van € 346,50 onbetaald gebleven.

3.Het geschil

3.1.
Eisende partij vordert – samengevat – veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 398,48, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
Gedaagde partij voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Gedaagde partij is van mening dat de dagvaarding nietig en eisende partij niet ontvankelijk is nu de dagvaarding niet voldoet aan artikel 111 lid 2 Rv Pro en eisende partij ingevolge artikel 21 Rv Pro verplicht is de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.
4.2.
De kantonrechter is van oordeel dat hoewel in de dagvaarding de merkwaardige omschrijving “CZ Werkelijke ER vanuit Schade –“ is opgenomen, het voor gedaagde partij volstrekt duidelijk is waarop de vordering betrekking heeft. Dat eisende partij het niet zo nauw zou nemen met de waarheid kan de kantonrechter niet vaststellen. Het beroep van gedaagde partij op de nietigheid van de dagvaarding en het verzaken van de waarheidsplicht wordt verworpen.
4.3.
Gedaagde partij stelt dat eisende partij haar administratie niet op orde heeft en de kredietbank Limburg, die de onderhandse schuldsanering van gedaagde partij en haar partner behartigt, op de hoogte had kunnen stellen dat er een achterstand in de betaling van de verschuldigde eigen bijdrage was ontstaan.
4.4.
De kantonrechter ziet onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat eisende partij de administratie niet op orde heeft. Eisende partij heeft betalingen door de kredietbank afgeboekt op de omschrijving die bij de betaalopdracht door de kredietbank werd gegeven. Gedaagde partij blijft zelf verantwoordelijk voor tijdige betaling ook al worden de betalingen door de Kredietbank uitgevoerd.
4.5.
Gedaagde partij houdt een heel betoog over het medicatie gebruik en stelt dat de op de overzichten voorkomende geneesmiddelen niet zijn thuis te brengen. De kantonrechter stelt vast dat het in deze zaak gaat om het verplichte eigen risico. Gedaagde partij betwist niet uitdrukkelijk dat zij in het jaar 2016 gebruik heeft gemaakt van een zorgaanbod waardoor het wettelijk verplichte eigen risico volledig werd aangesproken. Gedaagde partij verklaart immers dat zij dagelijks zes tabletten diende te slikken. Voor het geval de apotheek medicatie heeft afgeleverd en in rekening gebracht, welke niet bestemd was voor gedaagde partij dient gedaagde partij zich tot de apotheek te wenden. Een dergelijk verweer gaat het bestek van deze procedure te buiten.
4.6.
Gedaagde partij stelt dat zij en haar partner laaggeletterd zijn en eisende partij bekend is met deze laaggeletterdheid. Gedaagde partij stelt dat zij de inhoud en strekking van de correspondentie van eisende partij niet begrijpt. Er is daarom een klachtprocedure aanhangig gemaakt en in dat kader is er een regeling tussen partijen getroffen. De onderhavige zaak werd echter niet bij deze regeling meegenomen. Gedaagde partij is van mening dat eisende partij haar bevoegdheid misbruikt.
4.7.
De kantonrechter stelt vast dat de regeling waarnaar gedaagde partij refereert is getroffen naar aanleiding van een klacht die op 16 juni 2017 is ingediend. De onderhavige zaak was toen reeds lang aanhangig. Van misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 BW Pro kan in dat geval dan nog geen sprake zijn. Dat eisende partij in het kader van de getroffen regeling met de deurwaarder heeft afgesproken om geen afspraken te maken omtrent het onderhavige dossier doet niets af aan de verschuldigdheid van het nog openstaande onbetaald gebleven deel van het eigen risico over 2016. Dit bedrag ligt daarom voor toewijzing gereed. De kantonrechter is echter van oordeel dat in het kader van de op 28 juni 2017 getroffen regeling tussen partijen de proceskosten in deze zaak dienen te worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt. Om dezelfde reden dienen de buitengerechtelijke incassokosten voor rekening van eisende partij te blijven.
4.8.
De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen een bedrag van € 346,50,
5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Schreurs-van de Langemheen en in het openbaar uitgesproken.
type: HM
coll: