ECLI:NL:RBLIM:2017:7244

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
26 juli 2017
Publicatiedatum
25 juli 2017
Zaaknummer
5879861 cv 17-3149
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 6 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling zorgpremie september 2016 onvoldoende bewezen door verzekerde

Gedaagde heeft met eisende partij een zorgverzekeringsovereenkomst gesloten. Eisende partij vordert betaling van de premie over september 2016, vermeerderd met rente en kosten. Gedaagde stelt dat de premie is betaald en overlegt een bankafschrift met zeven afschrijvingen van mei tot november 2016.

Eisende partij betwist de betaling voor september 2016 en toont aan dat de betaling op 2 september 2016 is gestorneerd. Het bankoverzicht van gedaagde is incompleet en bevat alleen afschrijvingen, waardoor storneringen niet zichtbaar zijn. Gedaagde levert geen bewijs dat de premie daadwerkelijk is voldaan.

De kantonrechter wijst de vordering toe en verwerpt de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten omdat de aanmaning niet voldoet aan de wettelijke eisen. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 73,79 plus wettelijke rente en proceskosten. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de zorgpremie september 2016 en proceskosten, incassokosten worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 5879861 \ CV EXPL 17-3149
Vonnis van de kantonrechter van 26 juli 2017
in de zaak van:
de naamloze vennootschap MENZIS ZORGVERZEKERAAR N.V.,
gevestigd te Wageningen,
eisende partij,
gemachtigde GGN Mastering Credit N.V.,
tegen:
[gedaagde],
wonend [adres gedaagde]
,
gedaagde partij,
procederende in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding
  • de conclusie van antwoord
  • de conclusie van repliek
  • de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Gedaagde partij heeft met eisende partij een zorgverzekeringsovereenkomst gesloten.

3.Het geschil

3.1.
Eisende partij vordert – samengevat – veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 122,19, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
Gedaagde partij voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Eisende partij vordert de premie over de maand september 2016. Gedaagde partij stelt dat de premie over die maand is betaald en legt een overzicht van zijn bankrekening over waarop zeven afschrijvingen staan vermeld in de periode 2 mei 2016 tot 30 november 2016. Eisende partij stelt vervolgens dat de premiebetaling voor de maand september 2016 op 2 september 2016 werd gestorneerd en legt een specificatie over van de betalingen die zij met betrekking tot het jaar 2016 van gedaagde partij heeft ontvangen en waarop deze betalingen zijn afgeboekt. Bij dupliek stelt gedaagde dat hij de betaling van 3 mei 2016, voorkomende op het door hem bij antwoord in geding gebrachte overzicht, niet terug ziet op de specificatie van eisende partij.
4.2.
De kantonrechter stelt vast dat de betaling van 17 mei 2016, die eisende partij heeft afgeboekt op de openstaande premie van maart 2016 niet op het door gedaagde geproduceerde overzicht voorkomen. Het overzicht dat gedaagde in geding heeft gebracht betreft geen compleet doorlopend overzicht van alle mutaties van de desbetreffende bankrekening doch een selectie van afboekingen, welke selectie kennelijk door gedaagde partij is samengesteld. Op een dergelijk overzicht zullen dan ook de storneringen niet terug te vinden zijn, nu dit immers bijschrijvingen betreft en gedaagde partij slechts afschrijvingen van zijn rekening heeft geselecteerd. Nu gedaagde partij geen betalingsbewijs heeft overgelegd waaruit valt af te leiden dat het de betaling van de premie voor de maand september 2016 betreft zal de vordering van eisende partij worden toegewezen.
4.3.
Eisende partij maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden.
De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu de wettelijk verplichte aanmaning niet voldoet aan hetgeen artikel 6:96 lid 6 BW Pro vereist.
4.4.
De kantonrechter acht geen termen aanwezig gedaagde partij toe te laten tot nadere bewijslevering.
4.5.
Gedaagde partij zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van eisende partij worden begroot op:
  • dagvaarding € 101,05
  • griffierecht 117,00
  • salaris gemachtigde
totaal € 278,05
4.6.
De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen een bedrag van € 73,79, vermeerderd met de wettelijke rente over € 73,00 vanaf 27 maart 2017 tot aan de voldoening,
5.2.
veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten aan de zijde van eisende partij gevallen en tot op heden begroot op € 278,05,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Schreurs-van de Langemheen en in het openbaar uitgesproken.
type: HM
coll: