Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.[eiser sub 1] ,
[eiseres sub 2],
Rechtbank Limburg
In deze civiele procedure vorderen eisers dat Otto Nederland B.V. c.s. binnen vier weken na betekening van het vonnis een verklaring aflegt zoals vereist in de artikelen 476a lid 2 en 476b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), met een dwangsom bij niet-nakoming. Dit volgt op het leggen van conservatoir derdenbeslag onder Otto Nederland B.V. c.s. ter verzekering van een vordering in een bodemprocedure.
De rechtbank overweegt dat de wetgever met het leggen van conservatoir derdenbeslag een verbintenis uit de wet schept tussen beslaglegger en derde-beslagenen, waarbij laatstgenoemden verplicht zijn een verklaring af te leggen. Hoewel artikel 477a Rv deze bevoegdheid tot het afdwingen van verklaring alleen in de executoriale fase toekent, kan het niet nakomen van de verklaringsplicht in de conservatoire fase onrechtmatig zijn jegens de beslaglegger.
De rechtbank stelt vast dat Otto Nederland B.V. c.s. niet tijdig een deugdelijke verklaring heeft afgelegd en dat deze nalatigheid toerekenbaar is en schade kan veroorzaken. Het verweer dat de verklaring wel voldoet wordt verworpen wegens te globale inhoud. De vordering wordt toegewezen met een dwangsom van €500 per dag per gedaagde, tot een maximum van €100.000 gezamenlijk. De proceskosten worden hoofdelijke aan Otto Nederland B.V. c.s. opgelegd, terwijl de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
Uitkomst: Otto Nederland B.V. c.s. wordt veroordeeld tot het afleggen van een verklaring binnen vier weken en verbeurt een dwangsom bij niet-nakoming.