Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil in conventie en in reconventie
4.De beoordeling in conventie en in reconventie
375,00(2,5 x tarief € 150,00)
Rechtbank Limburg
De werknemer was van april 2013 tot juli 2016 in dienst bij de werkgever als expediteur. Tijdens het dienstverband ontstond een geschil over een relatiebeding met een vorige werkgever, wat leidde tot loonbeslag op de werkgever. De werkgever betaalde aan de werknemer bedragen die zij als leningen beschouwde en wilde deze verrekenen met het openstaande loon en vakantiegeld.
De werknemer vorderde betaling van salaris en vakantiegeld over juli 2016 en een eindafrekening. De werkgever stelde in reconventie dat zij onverschuldigd had betaald en eiste terugbetaling van een restantbedrag, alsmede vergoeding voor te veel genoten verlofuren en oneigenlijk gebruik van een zakelijke creditcard.
De kantonrechter oordeelde dat de loon- en vakantiegelden onbetwist verschuldigd waren en dat verrekening met de gestelde leningen niet mogelijk was omdat de tegenvordering niet eenvoudig vast te stellen was en door de werknemer werd betwist. De vordering tot verklaring van onverschuldigde betaling werd afgewezen omdat een betalingsafspraak bestond. De vordering tot vergoeding van een negatief verlofsaldo werd afgewezen wegens ontbreken van schriftelijke afspraken en het feit dat de werkgever het verlof niet had kunnen verhinderen.
De vordering tot vergoeding van het oneigenlijk gebruik van de creditcard werd toegewezen omdat de werknemer geen zakelijke onderbouwing leverde. Verder werden wettelijke rente, incassokosten en wettelijke verhoging toegekend. De werkgever werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Werkgever moet salaris, vakantiegeld, wettelijke rente en incassokosten betalen; verrekening met leningen en vergoeding negatief verlofsaldo afgewezen.